Foxhol

 

Info Museum Station Kropswolde

Foxhol

Martijn lagerwerf

Voorwerk  

Foxhol Kaart

Wanneer er op de klooster-venen van Essen of Yesse een uithof of voorwerk met, barghe en verblijven kwam voor de werkende-broeders tussen de Woldwijk bij Kropswolde en het Abrahams-diep, is niet helemaal duidelijk. De locatie is wel terug te vinden in de Burgemeester van Royenstraat, vanaf de Woldweg is het het eerste hofje. In de nabijheid van dit uithof stond dan ook hun kapel, want werken voor het klooster betekende dat er naast handwerk voor hen ook een geestelijke opdracht was. Ook van deze Kapel is de stichtingsdatum niet terug te vinden in verslagen en akte uit die en de nakomende jaren. Een eerste melding is er wel in een akte uit 1409. Maar de kapel met uithof is vermoedelijk al vele jaren eerder in bedrijf. Waarschijnlijk behoorde de nabij gelegen molen, waar nu molen De Hoop staat, op die zelfde plaats ook al bij de vroege onderneming. De oudste schriftelijke verwijzing naar een windmolen in de Lage Landen is terug te vinden in een akte uit 1183 die betrekking heeft op de rechten en bezittingen van een ander klooster, die van van Sint-Winoksbergen te Wormhout. Het enigste bewijs voor een vroege molen in Kropswolde zijn een viertal grote zwerfstenen die bij het plaatsen van de nieuwe molen uit de kunstmatige verhoging waar de molen op staat, naar boven kwamen. Deze stenen vermoeden het bestaan van een zogenaamde standerdmolen op deze plaats, wat een van de vroegste type windmolens in Nederland was. Kortom dat zou betekenen dat het hier tijdens die vroege vervening al een komen en gaan was van turfschepen, er een molen was die wat meer richting Kropswolde stond, hier ter plaatsen het graan verwerkte en haar opbrengst door het Abrahams-diep (Foxholsterdiep) naar de stad bracht. In de laatste eeuw van deze vroege vervening kregen schippers, die zich verenigde in een stadsgilde, het alleen recht op al het watertransport over de Hunze. In de wintermaanden woonde de gildeschippers die hier vandaan de turf en ander opbrengsten van het land naar de stad brachten, de zogenaamde “buitenpoorters” in een dorpje of wijk, even buiten de stadswallen. Ook de lekenbroeders die voor het klooster werkzaam waren zijn in de koude maanden waarschijnlijk weer vertrokken. Dan was even de stilte terug gekomen in het veen. En zoals dat bij indianen gebruikelijk is krijgt een plek, hoe belangrijk die ook is, pas een naam als daar echt een goede rede voor is. Een veldslag tegen Fox was er zo een. Tot dan had deze streek al vroeg de naam van het bos dat hier lag; Crepiswalda. Van een dorp met die naam was toen nog geen sprake. Of er dan al vaste bewoners in deze streek waren is niet duidelijk en uit deze oude naam voor de streek ook niet op te maken.

000_1861Veel archeologisch onderzoek bij bouwactiviteiten in dit gebied was er nooit. Denk daarbij aan de aanleg van parken rond 1925 waarbij ook het voormalige voorwerk onder de B. van Royenstraat verdween, nieuwe wijk en wegen bij Foxhol in 1958, en het recent in gebruik nemen van het industrietrein tussen Martenshoek en Foxhol waarbij een deel van de oude Molensloot dicht ging. Waarschijnlijk speelt interesse en het ontbreken van belangwekkende vondsten in dit gebied daarbij een rol. Naast de opgravingen op de hogere zandruggen van rendierjagerskampen is er van de tussenliggende periode tot aan de kloosterverevening op een enkele Romeinse muntvondst bij Martenshoek na weinig of niets gevonden. In de collectie van het Museum Station Kropswolde is een Romeins-Frankische glaskraal aanwezig die in 1998 gevonden is op het zo even genoemde industrietrein. Probleem met deze losse vondsten is dat deze voorwerpen ook met de bemesting van deze gronden in het slik en stratendrek meegekomen kunnen zijn. De eerste sporen die opduiken zijn dan van een middeleeuwse schans bij Wolfsbarge, herontdekt in de jaren vijftig bij een snelle verkenning in de veenkolonie op archeologische sporen voor de grote ruilverkaveling aanving. De vesting is te dateren eind 12e tot eerste helft van de 13e eeuw. Bij de zoeksleuven werden in de grachten steenresten, delen van dakpannen, veldkeien en stukken eikenhout aangetroffen. Deze afbraakresten moeten daar als gevolg van het slechten van de burchtwallen en het toen aanwezige opgaand muurwerk in terecht gekomen zijn. Het vermoeden bij deze versterkingen is ook dat ze al vroeg geslecht moet zijn, zo rond 1350.

Met de Mariakapel is het zeker dat ze veel later geslecht is en dat er na de reductie tot een aantal van tientallen jaren na 1600, nog muurdelen van stonden. Maar omdat ze op de vermoedelijke plaats van de kapel, na het graven van een zoeksleuf geen resten in de gracht vinden, komen ze tot de conclusie  dat er geen stenenhuis op te vinden was. De vraag blijft dan open of de methode van slechten in tweehonderdvijftig jaar gelijk gebleven is en of bij de afbraak van de Maria kapel de grachten ook gedicht zijn. Een deel was immers bij het onderzoek nog open. Uit de datering van de vondsten uit de wel gedichte gracht is dan op te maken dat ze waarschijnlijk pas veel later gedicht is, waarbij de conclusie van dit onderzoek dan wel hetzelfde blijft, namelijk dat er geen stenenhuis op stond, en natuurlijk ook omdat er op het middendeel geen steen fundering en of paalgaten aangetroffen zijn. Ter vergelijking bij de opgraving van de borg bij Wolfbarge zijn er behalve restanten van opgebrachte grond geen verdere structuren op het middenterrein aangetroffen. Groenendijk komt hier dan wel tot de conclusie dat het complex in de eerste helft van de dertiende eeuw moet zijn aangelegd. Dat loopt dan gelijk op met de stichting van het vrouwenklooster Essen die al vroeg grond in Kropswolde had. Bij de vermoedelijke kapellocatie is het ontbreken van sporen op het middenterrein voldoende om de koncluderen dat er geen stenenhuis stond. Bij de losse vondsten uit de tijd van de kapel is de conclusie dan wel weer terecht, dat die ook uit de aangevoerde bemesting, slik en stratendijk kunnen komen.

Weers-en andere omstandigheden

Met gebouwen die na de reductie in onbruik raakte is het meer aannemelijk er vanuit te gaan, dat die niet ineens afgebroken zijn maar dat ze door de jaren heen als steengroeve dienst deden, tot ze op waren. Daarbij de opmerking dat het verdwijnen van de kapel gelijk opgaat met de eerste stenen huizen in dit gebied. Huizen waarbij de pachtovereenkomst aan de stadsmeier verplichte, dat die minimaal 100 daalders in waarde en van steen moesten zijn.  De geplande stenen in de nieuwe woonwijk Molenwaard laten na dit onderzoek, wegens een recente crisis op de huizen markt, nog even op zich wachten. Met dit wachten is de op dit onderzoeksterrein gedachte uitvalsweg van de wijk, de aansluiting op de Woldweg, er voorlopig niet gekomen. Conclusie: Hier was volgens de kenners niets want er waren geen steenresten en er komt geen steen op de andere omdat toekomst-planners, haar niet konden voorzien. Maar wat was hier dan wel, in het voor of nadeel dat we altijd wel iets zullen vinden binnen ons eigen verwachtingspatroon of doelstellingen? Regen. Dat deze proefsleuf onder zeer ongunstige omstandigheden gegraven is, in enorme stortregens, wat de doelstelling niet zal beïnvloeden; Het vinden van klooster-moppen, want die kunnen wel tegen een buitje. Een melding over de weersomstandigheden in dit onderzoek is dan ook niet van belang. Dat dit bedrijf niet op zichzelf staat blijkt uit de opgraving van de Groenenburg bij Euvelgunne in 1960, uitgevoerd door het BAI. De resultaten zijn nooit gepubliceerd. De opgraving vond plaats volgen projectleider en emiritus hoogleraar Waterbolk, onder zeer ongunstige omstandigheden, regen en hoosbuien. Bij  A.G.M. Spiekhout lezen we hierover het volgende.‘Op vier dagrapporten na zijn de veldtekeningen en wat vondst materiaal het enige tastbare bewijs van de opgraving. Vondstenboeken, vondsten, foto en sporenlijsten zijn tot op heden onvindbaar of misschien zelfs niet eens gemaakt.’ Kortom zo ging al eens een van de belangrijkste tastbare bronnen door omstandigheden in het Go-recht verloren.

Bolwerk Foxhol?

public20In een onderzoek naar het ‘kastelen landschap in het Go-recht’ door A.G.M. Spiekhout, vinden we naast Wolfsbarge, waar er langs de Borg in 1955 een Bolwerk terug gevonden is, de volgende aanwijzingen die tot nieuwe ontdekkingen zouden kunnen voeren.

“De kasteelterreinen lagen langs een grens bij knooppunten van infrastructuur of bij een corridor of kruispunt. Als dit soort locaties worden aangestipt in het model van het Gorecht en vervolgens worden bestudeerd, dan zouden eventueel nieuwe terreinen aan het licht kunnen komen. Onder aanwijzingen worden de volgende kenmerken verstaan: een omgracht terrein, een verdacht toponiem, een verhoging of een ligging van een borg. De laatste aanwijzing zou mogelijk de opvolger kunnen vertegenwoordigen van een oudere burcht. Het nadeel van deze methode is dat er wordt gezocht binnen het verwachtingspatroon. Dit patroon hoeft natuurlijk niet voor iedere burcht op te gaan.”

000_1788
Of er in Foxhol op het kruispunt
Woldweg Borgweg O.L. Vrouwen-laan aan de uitloop van het Abrahamsdiep een grensverdedigings-burcht stond weten we niet, maar het is niet onwaarschijnlijk. Want ze zouden de Borg (Woldweg) niet alleen bij de zuidelijke grens van het Go te Wolfsbarge, maar dan ook de noordelijke grens bij Foxhol moeten beschermen. Maar die verdediging was dan niet nodig, of is nog niet teruggevonden. Een ridder was er wel; Fox. Van dit heerschap weten we dat voor hij hier verslagen is door de stad Groningers, hij welig tierde in de Borg te Kolham. In een akte uit 1460 staat iets over de molensloot die loopt vanuit Vossehol (Wijk de Vosholen) tot aan de Borg. In een ander akte gaat het over de verkoop van gronden aan het Esser klooster tussen de weg van Kolham tot aan de Borg waarmee ze dan het begin en eindpunt van de O.L. Vrouwen-laan beschrijven. Vraag is dan stond die Borg waar Fox al was wel in Kolham?  Voorlopig hou ik het erop dat het bij deze beschrijvingen om de weg zelf gaat, wat niet weg neemt dat er voor het kruispunt altijd al een wat merkwaardige onverklaarbare slinger in de weg zat. Nu heet dat nog altijd de Krull-weg. Kortom een spannend idee is het wel.  Rond 1350 waarna het stadsbestuur de macht in het Go-recht in handen krijgt zouden de grens-borgen na een ruime 140 jaar dienst weer verdwenen zijn, alleen de grenzen niet. (Over deze Go-grens zie ook het Tolhuis)

De eerste bouwactiviteiten op het middenterrein van dit weggetje, die de oude loop is vanaf de Woldweg naar de Borgweg ontstaan pas in 1928, na afbraak van deze vroege sociale woningbouw rond de jaren 70 komen er later huisjes die met de krul mee lopen. Op kaart (Identificatienummer Identificatienummer Identificatienummer 

 

 

De grens tussen Foxhol en Kolham.
Foxhol 1

In beschrijvingen over de slag tegen de ridder Fuchs (22 juni 1499) is maar een duidelijke aanwijzing voorhanden waar die uitgevochten zou zijn: op de O.L. Vrouwen-laan, die een onderdeel was van de Borg, de weg tussen Appingedam en Coevorden. Daarmee zijn we aangekomen ergens tussen Foxhol, aan het begin van de Borgweg waar deze laan begint met aan het einde van die laan het dorp Kolham. Feitelijk zijn we met die aanwijzing dan nog geen stap opgeschoten, want de laan is lang. Een enkel geschrift geeft aan dat de slag nabij een poort op of nabij deze laan een aanvang had. Omdat daar dan bij staat dat het bij Kolham is, moeten we ons ook afvragen of er in de omgeving wel ander gehuchten of dorpen voor handen waren waar de schrijver in zijn dagen naar zou kunnen verwijzen. Sommige  schrijvers noemen zelfs het nog zuidelijker gelegen dorp Kropswolde. Bezittingen die Kropswolde toebehoorde liepen toen namelijk ook tot aan de voet van de O. L Vrouwen Laan, een laan die zijn naam dankt aan de Mariakapel in Kropswolde. Wat we wel uit die ruim genomen verwijzingen naar de locatie van de slag op kunnen maken is dat de plaats van die veldslag tegen deze ridder en zijn mannen, blijkbaar, geen naam had.
Aannemelijk feit is alleen dat het bij deze poort om een grensmarkering gaat. Zover we kunnen nagaan was het Abrahamsdiep tussen het latere Foxholstermeer en het Hoogzand ter hoogte van Martenshoek al vroeg een van de grenzen tussen de zogenaamde Go gebieden. Vaak is er spraken van dat het kanaal vanuit dit meer naar Martenshoek gegraven zou zijn, als zijnde het begin van de grote stads verevening. Aannemelijk is het dat het bij dit deel, tot aan Martenshoek, hoogstens gekanaliseerd is. Het daadwerkelijk graafwerk zal dan pas begonnen zijn waar het stroompje vanuit noordelijke richting om de zandhoogte heen kwam. Na de hoek die het kanaal hier nu maakt, richting  de zo beroemde sluis, gaat het nieuwe kanaal vervolgens met een tweede hoek, kaarsrecht langs de oostelijk gelegen venen. Foxhol, maar zeker Kropswolde, moeten we dan ook tot de voor veenkoloniale nederzettingen rekenen.

Mensen maken om meerdere redenen grenzen. Vaak waren bestaande rivieren zoals hier ter plaatse, de Fivel en Hunze van nature al aanwezig. De gebieden kregen dan de naam Fivelingo Hunsingo. Tussen de bisdommen, Utrecht en Munster zou een aangelegde borg tegen het water van de Hunze als grens genomen zijn. Rond 1100 was dit een noodzakelijke ingreep om het water bij overstromingen van de rivier de Hunze buiten de daarachter gelegen landerijen te houden. Zo waren de Borgweg en Woldweg in hun verlengde, dus niet alleen grenzen voor mensen maar ook grenzen tegen het wassende water. En het water een grens stellen, daar waren de Nederlanders goed in. Zo moest er bij de aanleg van deze wal, dijk of waterborg voor het Abrahamsdiep ter hoogte van Foxhol in de dijk een doorlaat open blijven, die als de noot aan de man was, als de Hunze weer eens buiten zijn oevers kwam, ook dicht kon. Uit de slag tegen de ridder weten we dat het varende Groninger gilde het stadsleger bij de borg ter hoogte van de O. L. Vrouwen-laan aan wal bracht, om hem daar dan een duidelijk grens te stellen. Wat ook aannemelijk is is dat de vroege klooster vereveningen die hier na 1300 in vol bedrijf was gekomen, voor een goede rendabele verveningen al de nodige afwateringskanalen moesten graven. Waarvan de molensloot er een van is. Om het achter de Hunzedijk droog te kunnen houden ging deze vroege waterhuishouding met een doorlaat ter hoogte van de Borgweg later over in het waterschap Kropswolde.

Overstroming Foxhal

(Hendrik Jacob Keuning is in 1933  de menig toegedaan dat dit Abrahamsdiep ook aansloot op het Sappemeer. Op een kaart van Cornellis Edskens uit 1648 buigt het stroompje ruim voor dit meer al af naar het noorden maar bij zware regenval is het zeker niet onwaarschijnlijk dat die verbinding wel tot stand kwam. Ook zal er bij veel waterval een verbinding tot stad moeten komen tussen het Kleinemeer, globaal gezien, via de Vosholen, Abraham Kuypersingel, Waesingweg met het Zuidlaardermeer. Deze oude afwatering zal later uitmonden in de Molensloot van de klooster vervening. Met de daar weer op volgende stadsverevening verloopt de afwatering van het Kleinemeerster-diep door de geheel nieuw gegraven kanalen richting het Winschoterdiep en komt de aansluiting met de Molensloot te vervallen.)

Foxhol heete Borch

Er werd in 1460 melding gemaakt van een sloot uit “Vossehol”  die tot aan de borg loopt. De akte gaat over het vrij mogen bevaren van deze sloot. Het begrip “Sloot” moeten we hier dan niet verwarren met wat we nu voor een sloot aannemen. De verwijzing geeft aan dat het hier gaat om een gegraven waterloop die bevaarbaar is. of wel “vaart” en in iets grotere zin “kanaal”. De meeste denken dan dat Vossehol hier het dorp Foxhol is. Maar hier gaat het waarschijnlijk om de latere wijk Vosholen vanwaar de sloot uitloopt tot op de Borg, begin Borgweg .  Later krijgt de sloot de naam Molensloot. Een tweede bewijs dat het dorp Borch heet vinden we in een verkoop van land  aan het klooster van Essen in 1495. Hier lezen we dan dat de landen gelegen zijn ten westen aan de Lange O.L. Vrouwenlaan die zich uitstrekken van “myt den eyne eynde an de borch ende mytten anderen eynde an schermester wech.”  Het gaat hier dan om land die begint bij de Borg, de genoemde laan tot aan de weg naar Colham. Aan het begin van die laan begint ook de Borgweg. Duidelijk is dan dat het dorp Borch of Borg, na de veldslag tegen ridder Fox in 1499 zijn nieuwe naam krijgt.

Bij borch kun je hier denken aan waterborg in de betekenis van dijk met daarin een dam of sluis voor de doorstroom van het Abrahmsdiepje. Dat zou ook de verklaring zijn dat ze niet met een hoofdletter geschreven is. Middelnederlandse grondbetekenissen is ophoging, en die werden vaak gebruikt voor de bouw van versterkte huizen. Die vinden we dan ook terug in Borg en burcht. De tweede evenzo middeleeuwse betekenis die we in veel mindere maten zijn blijven gebruiken is uitdieping. Deze etymologisch oorspronkelijke betekenis leeft wel voort in de verschillende dialecten, onder betekenis van sloot. Deze  wisseling in betekenis is te verklaren uit de materiële omstandigheid dat bij het graven zowel een diepte ook een ophoping ontstaat. In de tekst uit 1460 gaat het zowel over een sloot als over een borch waar ze op uit komt. In beide teksten, dus ook die van 1495, is er op deze plaats sprake van een borch. Waarschijnlijk in de betekenis van van ophoging.  Als borch hier gebruikt is als verwijzing naar dijk, wat de Woldweg en Borgweg feitelijk is, een dijk tegen de Hunze, is het gebruik van borch wat merkwaardig. In die jaren was borch doorgaans in gebruik voor versterkte vluchtheuvel.  In Groningen stonden veel van deze burchten. Als die van steen waren hete die ook wel Stins. Pas later werden dat woonhuizen en hete dan borg. Met deze borch uit de zoeven beschreven teksten, is de verwijzing naar een dergelijke versterking, of een dan al verdwenen plaats van een stins of burcht, ook denkbaar. Het gaat hier namelijk ook om een belangrijke plaats waar twee rechtsgebieden elkaar treffen. Anderzijds is in dezelfde betekenis een borg of Stins ook een bergingsplaats voor goederen. De reeds door de stad in 1404 aangebrachte scheiding tussen de turfstekers, en het varende, kan er op duiden dat de gestoken turf door de Molensloot eerst naar deze borch gebracht werd  waar dan de overdracht plaats vond. Wat dit idee versterkt is dat het besluit uit 1460 daar ook over gaat. Ook bij de meer zuidelijk gelegen verveningen langs de Hunze moeten dergelijk goed bereikbare bergplaatsen geweest zijn waar de turfgravers hun turf voor de Stadsgilde schippers opstapelde. De stad had immers het transport, maar ook het stapelrecht in handen.

Wolfsbarge

Anderen zijn de mening toegedaan dat de verwijzing borch aan het begin van de Molensloot gevonden moet worden in Barghe, later Wolfsbarge. En dan niet aan het begin van de O.L.Vrouwenlaan/Borg-weg, het andere einde van de Molensloot ligt. De eerste beschrijving van deze in het Gorecht gelegen plaats komen we al tegen in 1040, en dan met een hoofdletter. Dat de woorden borch en Barghe dezelfde betekenis hebben van “hoogte” is maar ten delen waar. Een barg(h) is in de etymologische verklaring een verwijzing naar een overdekte hooibergplaats of korenberg-schuur. Meerder van deze schuren vormen hier dan een plaats met die naam, geschreven met een hoofdletter. Dat barghschuren
doorgaans op hoger gelegen droge plaatsen liggen spreekt vanzelf. Het gaat hier dus om twee verwijzingen die in plaatsaanduiding niets met elkaar gemeen hebben. Wolfsbarge komt doorheen de geschiedenis van deze veenderijen bij Kropswolde regelmatig voorbij. Ook ten tijde van de beide akte die verwijzen naar de borch is het gehucht Wolfsbarge, met een hoofdletter, ofwel Wolfs-schuren, nog aanwezig, en is dan wellicht in omvang zelfs wat toegenomen.

Utrechtse of Reensche Compagnie.

Kanaal 1657

De kanalen hier hadden twee gelijk opgaande doelen, het transport van veen en de afvoer van het overtollig water. Onder Kropswolde tot aan Foxhol gaat het om laag gelegen graslanden die droog moeten blijven, om de tweede hoek van Martenshoek gaat het om waterafvoer uit hoogveen en de daarin hoger gelegen veenmeermoerassen.
Als er in het latere Foxhol al zo vroeg zoveel te vervoeren was, waarom had deze plaats dan geen eigen naam? De enigste verklaring daarvoor is dat al de rechten op de omliggende landerijen en verveningen het klooster toe behoorde. Pas als de stad de gronden in bezit heeft komen met de stads-verevening ook de verpachting van deze gronden aan particulieren op gang, met daarop dan ook de nodige vaste bewoning. Een aantal jaren voor de stad het werk hier begon had Cornelis Pensen in opdracht van de Utrechtse of Reensche Compagnie opdracht gekregen het veen bij kropswolde en Foxhol te verkennen. Deze compagnie had de eerste concessie op de voormalige kloosterveen van Essen bij Kropswolde in handen gekregen van het gewest Stad en Lande. (Tussen de reductie en Stad en landen was dit  kloosterbezit, omschreven als het waterschap van het vorm. klooster Essen, eerst onder bestuur gekomen bij Slochteren.) De Utrechtse begon in 1608 bij het huidige Foxhol de waterwerken en het kanaal tot aan Martenshoek, die er dan al lagen, te verbreden zoals dat bij de pacht op de maat nauwkeurig was overeengekomen. Een aantal jaren later zal zij met het kanaal in Martenshoek door geldnood de onderneming deels moeten staken. Tot daar waar op aanwijzingen van de veenkundige Cornelis Pensen de Utrechtse verveners waren gekomen nam de stad in 1613 een deel van de vervening over. Het jaar daarop sloot de stad een contract met twee uitvoerders van de Utrechtse  Compagnie de heren Adams Hendricks en Albert Jansen om het te graven hoofd kanaal verder uit te voeren. De  veenderijen ten zuiden van Martenshoek konden dan onder regie van de Utrechtse verder aan snee gebracht worden. Blijkens een resolutie van 23 september 1614 werd toen ook een veerdienst op Foxhol opgericht.
.
Omdat de Utrechtse compagnie naar alle berichten maar weinig terecht weet te brengen van de vervening, kunnen we aannemen, ook omdat de stadsregie pas in Martenshoek van zich laat spreken, dat ze in het grondplan van de voormalige kloosterverevening niets wezenlijk veranderd had. De activiteiten van de Utrechtse concentreren  zich bij het door hen gegraven Diep vanaf het Abrahamdiep tot in de huidige Meint Veeningastraat met een veenderij ten zuiden van dat kanaal. Om het water in dit relatief hoger gelegen kanaal vast te houden, een probleem waar de Utrechtse onderneming ook al mee worstelde, liet de stad in 1615 een in 1586 te Stootshoorn, een dorpje even Boven het Sappemeer, in onbruik geraakte sluis uit de Sijpe Aa. overbrengen naar Martenshoek.

(De naam Stootshorn zou van de mansnaam “Stote” komen en van “horn” = hoek en zou duiden op een bocht in de Sijpe Aa waar deze sluis lag. “Martens”(hoek) is een verwijzing naar de Martinikerk in de stad die het geestelijk gezag in het Go-recht uitoefende. De “hoek” spreekt hier voor zich. Een andere hoek zien we ook terug in meer en mindere maten in het grondplan van Foxhol en op meerder plaatsen van soortgelijke waterwerken zoals in het Dorp Leek. Leek is eind 16e eeuw ontstaan, na het graven van het Leekster Hoofddiep. In verband met de verveningen kwam hier in een bocht van de Leke een sluis waardoor ook hier het grondplan van het dorp veel lijkt op die van Martenshoek. De enigste verklaring die ik hiervoor heb gevonden na een oproep bij een site over de geschiedenis van de binnenvaart, is: ‘dat de schepen dan in de luwte (van de wind) komen en gemakkelijker naar en in de sluis te manoeuvreren zijn. Waarbij de bebouwing aan weerskanten van de sluis ook als buffer zullen werken.’ ) 

Stads-veen 

In dat jaar 1616 koopt de stad Groningen dan de veenderij die de Utrechtse onderneming in het go-recht in pacht heeft. Uit de stadsrekening van 1617 is op te maken dat haar kanaal in de Stads-venen al reeds tot het Sappemeer klaar is; “doch niet zonder vele duizenden van kosten.”
Een geluk voor de stad was dat de Amsterdamse koopman Willem van den Hoven in 1617 Westerwolde gekocht had die het twee jaar later met ruime winst aan de stad Groningen verkoopt. Rond 1475 waren ze al min of meer heer en meester geworden in het Oldamdt. Niet lang daarna verwerft ze de laatste venen bij Foxhol waaronder het kanaal met de weg tussen Martenshoek en Foxhol, en dan ook in haar bezit komen. De venen worden nu door het stadsbestuur onder strikte regels weer uitbesteed aan ondernemingen waarbij de Stad zelf de regie op de hoofdvaarten, en waar weer nieuwe kanalen moeten komen blijft houden. Nu zij al het veen in bezit heeft kan zij, op al het transport vanuit en naar haar venen Diep en-tolgelden invoeren. De compagnieën was het toegestaan onder te verhuren waarbij de met de stad overeengekomen verpachting dan wel gewoon mee ging. De eerste van deze verpachtingen met een tijd van drie jaar, beginnen in Foxhol tot aan Sappemeer in 1624 als proef. Drie jaar eerder waren er in Sappemeer al de eerst huizen gebouwd, en vanuit die eerste nederzetting zal de vervening dan verder gaan. Op 8 december 1628 worden de regels wat aangescherpt, zo mag de pachter na twee jaar een huis bouwen die minimaal een waarde had van 100 daalders. (In de noordelijke Nederlanden was één daalder gelijk aan een waarde vastgesteld op 50 stuivers.) Een van de belangrijkste bepalingen in de overeenkomst was dat de turf en ander opbrengsten alleen in de stad, met daarop de nodige stadsbelastingen, verkocht mocht worden. Dit was er met namen ook op gericht om directe handel over de Eems met Duitse steden te voorkomen.
Dit stapelrecht had de stad al vroeg en had altijd de nodige conflicten met ommelanders meegebracht die hun eigen rechten, en niet die van de stad wenste te gehoorzamen. Nu had de stad een veengebied in handen waar ooit rendierjagers doorheen trokken maar waar tot nu niemand woonde. Kortom aan elke beweging in het veen kon de stad nu zonder schermutselingen een graantje mee prikken. Om die beweging in het veen er wat in te houden waren er ook regels opgenomen voor de tijd die het aansteken van nieuw veen in beslag zou mogen nemen. De conditiën voor de vervening uit 1628 zijn, zonder dat daar veel wezenlijke veranderingen in aangebracht zijn, altijd het uitgangspunt gebleven voor heel de verder vervening van de Groninger veenkolonie.

Gilles van Stoutenburg burgemeester van Rhenen en Johan van Oldenbarnevelt raadpensionaris van de Staten van Utrecht en heer van Stoutenburg.

Sententie-uyt-ghesproocken-over-Gielis-van-Ledenberch_MG_1363.tif

De tegenslagen waar de Utrechtse compagnie mee te kampen had lopen nagenoeg gelijk op met de politieke ontwikkelingen in de staten van Utrecht waar rond 1616 de contra-remonstranten steeds meer onrust veroorzaken. Hierdoor moeten de staten meer huursoldaten en verbeteringen aan haar verdedigingswerken aanbrengen, wat dan de nodige kosten en aandacht met zich mee bracht. Maurits (zoon van Willem van Oranje) beschouwde het in verdediging brengen van de Utrechtse staten waaronder Rhenen viel, als een provocatie en aantasting van zijn positie als legeraanvoerder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Huursoldaten dienen alleen hem te gehoorzamen en allen hij de bestuurder bepaalt ’s lands godsdienst. Een van de aandeelhouders in de Utrechtse compagnie was de toenmalige burgemeester van Rhenen Gilles van Stoutenburg. Na het uitblijven van een diplomatieke oplossing trok Maurits op 31 juli 1618 Utrecht binnen. Het geloofsconflict die gelijk op ging met enerzijds Republikeinen, tegenover de prinsgezinde van Maurits, nam daarna akelige vormen aan. Zo werd de raadpensionaris van de Staten van Utrecht Gilles van Leedenberch
door Maurits gevangen genomen. Toen gelijk daarop op 29 augustus 1618, ook Hugo De Groot en Johan van Oldenbarnevelt opgepakt werden pleegde Gilles in de gevangenis met zijn broodmes zelfmoord. Zijn doodskist werd in Den Haag ter afschrikking aan de galg gehangen. Van Oldenbarnevelt zal na de staatsgreep ter dood veroordeeld worden en op gruwelijke wijze op het Binnenhof in Den Haag , 71 jaar was hij toen, worden onthoofd.
Rechtsgeleerde en schrijver Hugo de Groot verdween samen met Rombout Hogerbeets in het tot gevangenis omgedoopte Slot Loevestein, nabij Gorinchem. In 1594 kocht Johan van Oldenbarnevelt een in de staten van Utrecht gelegen heerlijkheid, Stoutenburg. Toen hij in 1619 werd onthoofd, is al zijn bezit waaronder Stoutenburg verbeurd verklaard.

Van reden van het snelle einde en feitelijke mislukking van de Utrechtse onderneming
is vaak toeschreven aan een gebrek aan kennis die zij in huis hadden om het werk uit te voeren. Er zijn echter naar weinig bronnen die dit idee weten te bevestigen.  Het gebied ten noorden en westen van Utrecht bestond uit een uitgestrekte veengebieden met weiden. Onder de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht is dit veengebied
tussen de tiende-eeuw aan snee gebracht. Rond 1300 was vrijwel de gehele Hollands-Utrechtse laagvlakte veranderd in gebied voor landbouw en veeteelt waarbij de waterhuishouding een grote rol bleef spelen. In de Gelderse Vallei ten noorden van Rhenen heeft lange tijd daarna noch een drassig veengebied gelegen, ook wel de Rhenense of Stichtse veen genoemd. Hier Stichtes Veen-(endaal) waar in 1546 de eerste vormen van veen-compagnieën zijn ontstaan viel onder Rhenen. We kunnen er dus vanuit gaan dat kennis over waterhuishouding sluizen en het vergraven van veen ruimschoots voor handen was. In hun oude reeds lang verdwenen venen waren er voor nieuwe kolonisten tot 1300 al vormen van pacht overeenkomsten. Dus ook hier namen de eigenaren het werk niet meer zelf ter hand. Je zou dus kunnen stellen dat de stad Groningers met de neus in de boter vielen, nu het politiek en financieel slecht ging met deze pioniers uit het Utrechtse, en de regelen der veenkunst-verpachting, na de aankoop bleven gebruiken. Daarna zelfs wat verder uitwerkte en verfijnde, want de stad was ook niet bij machten de vervenen zelf ter hand te nemen. Dat het vertrek van deze vroege compagnie in de Groninger veenkolonie meer in politiek en financiële ongemak gezocht moeten worden en niet zozeer in onkunde is moeilijk uit het schaarse feitenmateriaal op te maken. Van het in deze bange dagen, verbeurd verklaren van Utrechtse eigendommen door de prinsgezinde van Maurits, was nog geen spraken, al hing de angst voor hoe de thuissituatie zal uitpakken al wel stevig in de lucht. In 1594 had prins Maurits de stad al onder zijn gezag gebracht en van de Spaanse invloeden losgeweekt.

De kleine veranderingen in het Esse of Ysser vervening.

Dat er in de tussen Martenshoek en Foxhol geen wezenlijke veranderingen zijn in de wegen en daar gelegen waterwerken blijkt pas later als de doorsteek met waterhuizen gegraven is. Want pas een aantal jaren daarna komen er ineens de nodige klachten bij het stadsbestuur binnen, van legeraanvoerders, omdat de veranderingen in de wegen ter plaatsen niet op hun kaarten staan. Hun loop was altijd van de Woldweg over de O.L Vrouwen-laan naar Kolham geweest. De doorgaande weg naar die plaats was nu de Heerenlaan achter het tolhek geworden. En het leger moest nu over twee bruggen. Wat feitelijk maar een kleine ingreep was in de bestaande situatie uit de kloostertijd.
De conclusie is, ook omdat de eerder genoemde sloot er op uit komt, dat de stichtings- datum van Foxhol waarschijnlijk gelijk opgaat met de vervening die het klooster hier in bedrijf had.

6a00d8341c7e2353ef017ee99e3984970d

Vincent van Goch, de ophaalbrug bij Nieuw-Amsterdam, 1883.

Voor het wegverkeer die zich nu tussen de nieuwe veenkolonie beweegt en er voorheen dus niet was, is de verplaatsing van het tolhuis noodzakelijk. Eerst was het begin van de  O.L. Vrouwen-laan een lands grens tussen de stad en een van haar ommelanden en kon het varende stadsgilde altijd al vrij over de Hunze varen zonder een grens in dit oostelijk  Go-recht tegen te komen. Het klooster had op haar vervening en landerijen ten oosten van de Woldweg uit handen van de stad het zelf recht tot aan de Klabbe in Foxhol, op al haar watertransport gekregen. Hier had het varende gilde, met haar alleenrecht de Hunze te mogen bevaren, dan ook niets te zoeken. Pas als de stad de nieuwe veengronden uitschrijft aan particulieren en daarmee de vaste bewoning in die gebieden opkomt, zal de grens over land opschuiven ten oosten van de Foxholster-brug.  Het verkeer tussen Zuidlaren over Foxhol richting Groningen  valt dan net buiten de tolheffing. Foxhol kreeg het met de aanleg van een nieuwe doorsteek, een kanaal, richting waterhuizen waarmee de
veenschepen richting stad, het dorp nu letterlijk aan hun linker kant lieten liggen, waarschijnlijk al zwaar genoeg. Wat ook verschuift is dat de oude grens, tussen klooster en gilde, bij de Klabbe in Foxhol is komen te vervallen. De tolgelden voor schepen worden nu in Martenshoek bij de sluis geheven.


Kerken

Paapse stoutigheden te Kropswolde en de eenzame Phoenix van Lula.

In 1617 begon men aan het graven van het Winkelhoeksterdiep om vervolgens evenwijdig aan het Hoofdkanaal aan het Achterdiep te beginnen. Aan het zuid kant van het hoofdkanaal kon nu ook het Kleinemeer aangestoken worden en droog vallen voor verdere vervening. in 1636 ontstaat hier een gehucht met een rooms-katholieke gemeenschap.
Kortom in het veen waren de ideeën van Maurits; dat de staat de godsdienst voorschrijft
al zeer redelijk in de ban gedaan. Wat de plaats voor de rooms-katholieken aantrekkingskracht gegeven moet hebben is dat vanuit het eerder beschreven Voshol, de latere woonwijk Vosholen, tot aan de borch het oude kloosterkanaal, Molensloot nog in gebruik was en bevaarbaar. Via een zijkanaal van de Molensloot kan men dan nog gemakkelijk uit dit gehucht tot aan de reeds in verval geraakte Onze lieve vrouwen kapel komen. Waar de Molensloot aan het andere einde op het Abrahamsdiep uitkomt, net voor de borch  zal er aan de Foxham kant van het Abrahamsdiep, Laer winschoterdiep,  in 1891 de RK St. Martinuskerk komen. Over deze blijvende aantrekkingskracht van de kapel zal dominee Martinus Meijerus, waarbij uit zijn naam al blijkt dat hij of zijn familie, pachters van stadsveen zijn, in 1625 zijn beklag doen, omdat er naar zijn mening bij de restanten van de kapel dan nog de nodige; ‘affgoderije unde suprstitie worden dedreven.’
Daarna komen de klachten regelmatig terug. In 1626; dat er nog altijd papistiche kerkvoogden in functie zijn. In 1641; een klacht van de dominee Henricus Bottichius van Kropwolde. Die nagenoeg gelijk is aan die uit 1625. Kortom al die jaren zag men langs de overblijfsellen des Pausdoms nog de nodige beweging. De vraag is hier of er ooit een tijd was waarin lekenbroeders die in dienst van het klooster hier turf staken en op de landerijen werkte, ooit wel uit de venen vertrokken zijn. Tussen meiers en lekenbroeders zat immers maar een klein verschil; de heer waarvoor ze werkte: Die van de stadsveen-pachters of die van het klooster. Kortom vergelijkbaar met huursoldaten die met de vorsten mee bogen die hen betaalde, en daarnaast aan hun eigen geloofsopvatting  vast bleven houden. Al was dat niet openlijk. In de venen werkten al vroeg arbeiders uit vele windstreken. Lekenbroeders  werden ingezet voor het wereldse en ruwe werk en zijn waarschijnlijk na de reductie weer ingezet om de voortgang in de vervening door de nieuwe ondernemers er wat in te houden. Hun baas was een andere maar het werk bleef. Aan het einde van de 16e eeuw tot dat  de stad haar intrede doet, waren de nederzettingen Zuidlaren, Annerveen, Gieterveen en Gasselternijveen, al ruim actief om het woeste veengebied aan snee te brengen. Tussen Zuidlaren en het later Foxhol  waren dat het klooster van Aduard en Essen. Kortom de turfsteken was bij het door de stad in eigendom komen van de uitgestrekte veengebieden, al bijna een oud ambacht. In de begin dagen was de Nederlandse hervormde kerk de kerk in het Groningse. Pogingen van de hervormden om andere religies te hinderen werden door het stadsbestuur verijdeld. Met tilde er niet zo zwaar aan omdat men niet wilde dat onlusten zouden ontstaan die het werk in het veen zouden verstoren.

Plaats 102. (De Kerk-boerderij te Lula uit 1758)

Huisje Kalkwijk 4 HDRffDe aanleg van de De Oude Friesche Compagnie begon in 1631, en heet nu Kalkwijk. Daarna zal de Nieuwe Friesche Compagnie aan snee komen, die in het westen aansluit op het oude Esser-en Aduarder-kloosterveen. in 1647 zal een Friesche onderneming dan aan de venen bij de Lula, in het verlengde van de Kalkwijksterdiep, beginnen. Waarna ze tussen de Kalkwijk/Lula en de Nieuwe Friesche Compagnie (Nijkomnij), kan beginnen met het aansteken van de veengebieden bij Kielwindeweer. Vanaf 1711  worden de deels afgegraven venen bij de Lula door deze Friesche onderneming verpacht aan een groep Zwitsers Doopsgezinden, die naar deze venen waren uitgeweken om zo de vervolgingen in eigen land te ontlopen. De heren van de Friese onderneming  waren zelf ook van doopsgezinde huizen. De leidende man in de begin jaren van deze compagnie was Eddo Edskes en behoorde tot de doopsgezinde gemeente in Heerveen van de Groninger Oude Vlamingen. Zo ontstaat er langs deze wijk een doperse enclave; Lula, waar ze van de kinderdoop af zagen, en volwassene die als kind al gedoopt waren weer opnieuw dopten, en heten dan ook wel ‘de Wederdopers. Van deze groep vluchtelingen is hun geschiedenis tot en met de namen van de schepen waar ze mee in Amsterdam aan kwamen, nauwkeurig bijgehouden. In Nederland verdeelde zij zich in vier groepen, en vertrokken op 20 augustus 1711 naar: -Harlingen: 21 personen -Groningen: 126 personen -Kampen: 87 personen -Deventer: 116 personen. Een deel van Zwitsers die zich in Lula vestigde hielden zich vast aan de  Amisch voorschriften, van Jacob Ammann. Gestorven tussen 1712, melding van zijn dochter over zijn door kwam pas in 1730, zij boerderij staat er nog en is te bezoeken. De eeuwenoude (kerk)-boerderij uit 1758 waar ze in het verlengde van de Kalkwijkerdiep, op Lula samen kwamen, stond er tot 2009 ook nog, maar is toen helaas door brand verwoest. Kort daarna is hier de boerderij weer grotendeels naar zijn oude vorm terug in geplaatst. De oude boerderij was reeds tientallen jaren onbewoonbaar, ook in de nieuw geplaatste is nu geen bewoning, wat daarbij een rol zal spelen is dat in dit deel van de Kalkwijk nooit water en gas voorzingen zijn aangebracht. Vanuit Europa waaronder nazaten uit deze groep, emigreerde een deel vanaf 1737 naar Pennsylvania in Noord-Amerika. Rond 1800 stopen in dit deel van de wijk ook de verkoopadvertenties van landerijen met bebouwing. Waarschijnlijk is Lula een afkorting van de Zwitserse familienaam Leutscher. De eerste hier geboren doperse in vrijheid was een Leutscher. Hij zou op de Kalkwijk in 1800 sterven als een van de laatste strenge Zwitsers op 90 jarige leeftijd. Het Kalkwijksterdiep had ooit een hooghout en elf draaibruggen en een van de eerste scheepswerven in deze venen. In 1670 gesticht door Anne Hooites op plaats (stadsmeier) 1 en 2  aan de Kalkwijk. Hooites behoorde tot de familie van de Friese veenboeren en was ook van doopsgezinde huizen. Tot dan werden de doperse in hun geloofsovertuiging nog behoorlijk tegengewerkt. In een akte uit 1661 was hen verboden kerken en bijeenkomsten te houden. De invloeden van met namen gereformeerden binnen het toenmalige stadsbestuur speelde hierin een grote rol. 1672 was voor hen een omslag jaar te noemen.

Wikipedia: ‘In dit jaar begon de Hollandse Oorlog en werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Münster en Keulen, resp. onder het gezag van Bernard von Galenen Maximiliaan Hendrik van Beieren.”

Door het afzweren van geweldshandelingen en bestuurlijke functies, omdat de laatste door de daar genomen besluiten mogelijk zouden kunnen uitmonden in godsdienst-oorlogen en conflicten, stonden zij altijd al een strikte scheiding tussen kerk en staat voor ogen. In het rampjaar wierpen de doperse zich daarom op als zeer gedreven en dappere brandweer mannen. Met namen in Groningen wisten ze zo te voorkomen dat de brandende bommen van Bomber Berend (Bernard von Galenen) de stad Groningen niet geheel in de as legde.
Vanaf 1677 is voor de doperse in de stad dan toegestaan, mits niet te openlijk, samen te komen, en bouwde zij hiervoor een houten (schuil)-kerk. In de daarop volgende Franse tijd (1795) werden kerk en staat pas definitief van elkaar gescheiden.

De Uckowallisten

70579012Toen de Zwitsers naar de venen kwamen waren hier al verscheidene doperse groeperingen actief. Deze doperse waren, evenzo op de vlucht voor vervolgingen, in 1566 naar het noorden gekomen. Hiervan sloten groepen zich aan bij de vanaf 1540 zo genoemde Menonieten uit Friesland, genoemd naar de priester Menno Simons uit Witmarsum. Naast deze Mennonieten waren er in het noorden en in de latere veencolonieen ook groepen te vinden als de Danzinger Oude Vlamingen, Paltsers en Waterlandse. Eenmaal in het veen deelde de Zwitsers zich ook weer op in twee groepen, de behoudende Oude Zwitsers en de Nieuwe Zwitsers, die zich wat meer aanpaste. Bij die aanpassing ging het vooral om de strenge kleding voorschriften binnen hun geloof. Ook bij de al aanwezige groepen kwamen de nodige nieuwe delingen voor. Zo waren er de Uckowallisten, volgelingen van Ucko Wallis, een Noordbroekster boer die in 1585 in die plaats, of in 1593 te Vlijdorp geboren is.
Na een afscheiding van de Vlamingen en het overlijden van hun voorman zal Uckco de leider worden van deze groep die zich de Groninger Oude Vlamingen noemde. Deze groep was onder Uckco uitzonderlijk streng in de leer. Zijn tolerantie tegenover de Hervormde, maar ook tegenover de andere afscheidingen van wederdopers was dusdanig ver te zoeken dat hij zich in 1637 bij het bestuur van de stad daarvoor moest verantwoorden. Wat slecht voor hem uitpakt want daarop is hij gevangen genomen en naar Duitsland verbannen. In 1642 kwam hij terug, kocht hij met zijn vrouw drie zonen en een dochter een huis in het Groningse Marsum, maar zal na een gevangenschap in Delfzijl, weer uitgezet worden. Hierna zou hij zich in Woldendorp en Oost Friesland hebben opgehouden en in 1653 in Oost-Friesland overleden zijn. Daarna zouden zijn volgers hem begraven hebben bij de Petruskerk in Woldendorp. Er waren dan al ruim 50 groepen in Groningen en Oost Friesland die zijn ideeën volgde opgericht. Zijn volgers in Sappemeer kregen het in 1640 niet gedaan een kerk te mogen bouwen. Dat nam niet weg dat de Stad tolerant bleef tegenover gematigde doopsgezinde en graag contracten met ze afsloot. Hun gedisciplineerder houding tegenover werk en kennis van het veengraven zal daarbij een rol gespeeld hebben. Maar Ucko Walles had het blijkbaar wel goed verpest bij het stadsbestuur, en om nieuwe problemen te voorkomen, kwam in de verpachtingscontract van de Borgercompagnie uit 1647 te staan, dat ze de venen alleen mochten overdragen aan ingezetenen van hunner stad en: “giene Mennonieten van Ucko wallis gezintheijd.”  Bij de verpachting aan de Nieuwe Friese compagnie in ditzelfde jaar is het geloof van deze heren die tot de groep van Groninger oud Vlamingen behoren en waar Unco eerder hun voorman van was, blijkbaar geen bezwaar. In 1649 zou Uco Walles  Johan de Mepsche, een grote vervener te Sappemeer, bij de Staten-Generaal in Den Haag aanklagen. Dit zou gaan om zijn grond in Noorbroek die na zijn verbanning in eigendom of gebruik is genomen door de Mapsche. Wellicht heeft de bepaling in het contract dat aan Ucko wallis gezinden geen venen meer verpacht konden worden hier een sterke rol in gespeeld. De Mapsche daarin tegen kwam uit de stad Groningen. Later zouden de doperse grond kopen waar Johan de Mapsche  voorheen zijn veenborg “Croonhoven” in 1655 had laten bouwen, om daar nu hun kerk te bouwen. Zij braken de weelderige borg na aankoop in 1837 gelijk af.
Waarschijnlijk nam de Nieuwe Friese Compagnie bij het in 1647 in pacht verkrijgen van de venen in het verlengde van de Kalkwijk Lula, na de verbanning van Ucko een minder strenge leer aan, een die voor de stad dan wel acceptabel was. Minder streng in die zin dat ze daarna niet meer in het openbaar predikte en ook niet de confrontatie met anders denkende opzochten. Hieruit is wellicht te verklaren dat de groep zich meer en meer van de buitenwereld isoleerde en in hun geloofsopvatting vooral met rust gelaten wenst te worden. Binnen de groep zelf lag dat anders, want bij de latere schuring binnen de nieuwe groep van Zwitsers, zouden Ucko wallistische, inmiddels oude opvattingen weer een rol gepeeld hebben. De samenkomsten van de zo even besproken nieuwkomers in Lula, bleven plaatsvinden in speciaal daarvoor ingerichte woonkamerkerken. De scheuring liep door heel de gemeenschap heen, waardoor de woonkamerkerk in Lula op verschilde dagen bij de Oude en Nieuwe Zwitsers in gebruik was. In latere jaren zochten de Nieuwe Zwitsers aansluiting mat al aanwezige doperse groepen en zouden dan ook gebruik gaan maken van hun Vermaning. De eerste doopgezinde kerk aan de weg naar Kleinemeer stamt uit 1775. In Noordbroek en omgeving, Sappemeer en Groningen kwamen in de Franse tijd uiteindelijk de nodige nieuwe doperse kerkgebouwen. In plaats van afsplitsingen kwamen divers groepen nu geleidelijk aan weer samen. Zo zouden de Mennonieten die samen kwamen in de huiskamer vermaning van de familie Calkar, die met zijn gezin even na de Zwitsers vanuit Deventer op de Kalkwijk kwam wonen, zich aansluiten bij de groep in Kleine meer en of Sappemeer waar de predikant Gorter lange tijd actief was. Van de strenge voorschriften is, zoals de voorheen bij de Menonieten of walis gezinten golden. dan al geen sprake meer.

Wat Ucko Wallis nu misdaan zou hebben dat de stad met zijn slag van mennonieten helemaal klaar was, is terug te voeren op het idee dat niet bekeerde aardse zondaren in het hiernamaals gestraft zouden worden. Wat volgens Ucko beruste op een verkeerde uitleg, van het verraad van Judas. De scheuring binnen de latere Zwitsers op Lula zou zijn veroorzaakt door een meningsverschil tussen Henk Anken en Abraham Lovers (of Leutscher) over de uitwendige versiering van hun boerderijen. De Nieuwe Zwitsers zouden in tegenstelling tot de Oude wel (moderne) knopen gebruiken om hun kleding bijeen te houden in plaats van haken en ogen, en ook schoenen in plaats van de bij de Oude groep nog voorgeschreven laarzen dragen.  Los van deze strenge opvattingen zitten er in de ideeën van deze doperse ook altijd al vergaande vormen van wederzijdse tolerantie. Het niet aanwenden van fysiek geweld. Ook bij de latere baptisten komt de kinderdoop te vervallen en zal pas plaatsvinden als de gedoopte zich bewust is van de betekenis, en daar zelf voor kiest. De wijze waarop je leeft in wederzijds respecteert staat bij de deze geloofsgroepen dan ook hoog aangeschreven. Bij de sommige strenge mennonieten groepen is er nu nog sterk de angst aanwezig dat ze zich zouden inlaten of handelingen zouden plegen die tegen deze principes in gaan. Zo zou het afknippen van baarden een geweldpleging zijn tegen de scheper, die ze ons gaf. De strenge kleding voorschriften en het niet knippen van baarden zal in Lula rond 1800 nog bij een zeventig tal oude veenboeren voor komen.

Op zondag, 21 augustus 2011 was er aan de Kalkwijk/Lula, op huisnummer 175 nog een hagenpreek, op een boerderij waar vroeger doperse Zwitsers hebben gewoond. Terzelfder tijd was er een tentoonstelling over de Zwitser op Lula in de doopsgezinde kerk te Groningen.
.
DvhN 2012:“Te bouwen boerderij Kalkwijk staat er al.- 24 september. Een nieuw te bouwen boerderij aan de Kalkwijk 102, waarvoor de gemeenteraad van Hoogezand-Sappemeer maanddagavond unaniem het bestemmingsplan goedkeurde, staat er al. Verscheidene raadsfracties uitten daarover hun verbazing, aangezien de bestemming nog gewijzigd moest worden. Wethouder Frans Luijckx was zelf ook verrast, verklaarde ‘het wonder van Kalkwijk’ door te zeggen dat er destijds een bouwvergunning was afgegeven voor een schuur zonder woonhuis. Luijckx zei dat er sprake was van een inpandig woonhuis. “Het is een vrij zeldzaam iets”, aldus de wethouder.”

 

 

De “Cocksiaanse” gemeente Sappemeer.

De nu ontstane tolerantie en ruimdenkendheid bracht weer nieuwe scheidingen met zich mee. Op de vooravond van de eerste baptisten in Gasselternijveen, die zich later in Foxhol verenigen tot een unie, en de doopgezinden die in Sappemeer kerken begonnen te bouwen, zal Hendrik de Cock uit Veendam weer een nieuwe groep vormen, een die tussen al die nieuwe vrijheden het ware gereformeerde geloof wens te behouden. Een verslag uit 1835 hierover van de toenmalige burgemeester van Sappemeer C Hartman Busman aan de Gouverneur geeft een aardige inkijk in de inmiddels veenkoloniale traditie van huiskamer bijeenkomsten.
.boekDeCock“Gisteravond ongeveer te 7 uur geïnformeerd wordende, dat de gewezen predikant van Ulrum, de Cock, ten huize van Koene Jans Vegter, broodbakker alhier, godsdienstoefening zou houden en kinderen zou dopen, begaf ik mij derwaarts.Bij mijn komst vond ik in verscheiden vertrekken en in de tuin achter het huis 22 personen, zowel mannen als vrouwen – de Cock was evenwel nog niet daar – maar toen hij enige ogenblikken daarna het huis binnenkwam, vroeg ik hem of het de waarheid was, dat hij voornemens was alhier een godsdienstoefening te houden, waarop hij mij antwoordde dat dit zijn voornemen was. Ik zei hem daarop, dat ik zulks niet kon toelaten en dat ik de stelligste bevelen had om zulks met alle mogelijke middelen te beletten. Hij antwoordde mij, dat hij meende, dat wanneer de vergadering het getal van 19 personen niet te boven ging, de wet zulks niet verbood. Na een langdurige woordenwisseling (terwijl zich intussen voor het huis wel 200 mensen uit nieuwsgierigheid verzameld hadden) gelukte het mij echter hem van zijn voornemen te doen afzien, en ongeveer 8 uur ging hij heen. Om 9 uur echter rapporteerde mij de veldwachter, dat de Cock ten huize van een andere broodbakker alhier, met name Kars Frederiks Wormnest, godsdienstoefening hield en kinderen doopte; mij dadelijk derwaarts begeven hebbende, vond ik aldaar de Cock, zittende te roken met nog zeven andere personen, waaronder twee vrouwen, ieder met een kind. Op mijn aanmaning uiteen te gaan, hebben zich drie van de voormelde personen verwijderd. De vier overigen weigerden zulks echter, voorgevende, dat zij daar op visite waren. En daar zij rustig waren en niets uitvoerden, meende ik dan ook hier geen geweld te moeten gebruiken. De Cock is deze nacht ten huize van voorzeide bakker gebleven en hedenmorgen om 9 uur weer naar Wildervank vertrokken, vanwaar hij ook naar herwaarts gekomen was. Ik heb gemeend Uwe Excellentie te berichten, dat die Secte hier al meer en meer toeneemt en dat, zo men in de noodzakelijkheid zou komen om die bijeenkomsten met geweld te doen uiteengaan, de plaatselijke politie als bestaande uit één veldwachter, daartoe op verre na niet toereikend is.”In 1843 werden ze wel erkent en kochten toen de doopsgezinde kerk in Kleinemeer, die in 1846 buiten gebruik was gekomen omdat hun nieuwe doopsgezinde kerk aan de Noorderstraat klaar was. Daarna is deze kerk als Gereformeerde kerk in gebruik gebleven tot 1910..
.

De Baptisten in Foxhal

Op Foxhol, op Foxhol.
Daar is geen kerk of toren,

Maar als de vijf uurs schuit aankomt,

Blaast de jager op z’n horen.

(Bron: Nederlandsche baker- en kinderrijmen, 1894. M.A. Brandts-Buys,  J. van Vloten.
Verklaring: Een scheeps “sjager” was een persoon die met zijn paard langs de kanalen liep om schepen te trekken. Het pad langs deze kanalen noemde men het jaagpad. In de Noorden was dit
scheepsjagen i
n de 17de eeuw al gebruikelijk. Hoogezand en Sappemeer hadden in 1669 al wel een kerk.  Na 1800 vertrekt de trekschuit aldus de Groninger almanakken uit die eeuw in Foxhol om 6 uur. Dat maakt dat dit kinderversje ergens in de 17de-eeuw ontstaan is, wellicht als spot om de hier na de reductie verdwenen kloostervenen met voorwerk en eigen kapel )

 

In 1845 ontstonden de eerste ‘gemeenten van gedoopte christenen’. In Gasselternijveen onder ds. Johannes Elias Feisser, en in Zutphen onder ds. De Pinto. Feisser liet zich met enkele volgelingen in een veenkanaal te Gasselternijveen door de Duitse baptist J. Köbner door middel van onderdompeling dopen. Dit waren de eerste baptisten in Nederland. Op 26 januari 1881 besloten zes gemeenten, in huiskamer vergadering bijeen te Foxhol, de Unie in het leven te roepen. Na deze bijeenkomsten besloten de Baptisten te Foxhol in 1887 tot de bouw van een eigen kerk,  Rehoboth. Die diensten zouden hier tot 1987 gehouden zijn, daarna is de kerk in gebruik genomen bij de Evangelische gemeente Rafael. De daarop volgende eigenaar verbouwde de kerk tot woonhuis, waarbij hij het karakter van de oude kerk kundig wist in te passen. Na deze oprichting van de ‘Unie van Baptisten Gemeenten in Nederland’ heeft Foxhol een aantal jaren later dan zijn eerste kerk.

Kaart Foxhol

Moluks Evangelische kerk Foxhol

Kerk Foxhol MoluksIn 1963 komt er een Moluks Evangelische kerk in het dorp aan de Roerdompstraat. In 1995 is deze houten kerk vervangen door de fraai vormgegeven nieuwe Petruskerk, die op 10 september 1995 feestelijk in gebruik is genomen. De luidklok van de oude kerk verhuisde daarbij naar de nieuwe kerk. De klok was indertijd door de eerste generatie Molukkers, die op bevel van de toenmalige Nederlandse regering naar Nederland kwamen, vanuit het moederland meegenomen.

Voorgeschiedenis

In 1951 komen er op dienstbevel zo’n 12.500 Molukkers,  KNIL-militairen met hun gezinnen, naar Nederland die de Nederlandse regering in voormalig Nederlands-Indië tot het laatst trouw gebleven waren. In eerste instantie werden ze in een negentig tal zogenoemde tijdelijk woonoorden ondergebracht in afwachting op hun terugkeer. Een van de bekendste kampen daarvan is Schattenberg, voormalig Westerbork bij Hooghalen. Een van de kleinere woonoorden bevond zich in de Carel Coenraadpolder in het haast wel uiterste puntje van Groningen tegen de zeedijk achter Finsterwolde. De leefomstandigheden waren voor Nederlandse begrippen ver onder de maat, zeker nu bleek dat er van terugkeer, ondanks de toezegging, geen sprake was. Waarop de regering besloot de kampen te moeten sluiten en de gezinnen onder te brengen in gangbare huizen. In 1961 moest een groot aantal van die gezinnen uit deze CC Polder overgeplaatst worden naar een nieuw aangelegde wijk in Foxhol. Op 14 december waren er in de CC Polder nog 101 zielen van de naar schatting 300, die weigerde te vertrekken omdat ze zich bedrogen voelde door de regering. Van de belofte van de Nederlandse regering dat zij op de Molukken hun eigen staat zouden kunnen stichten kwam nu overduidelijk niets terecht. Om aan de protesten een eind te maken werd op 16 december de stroom afgesneden waardoor ook de watertoevoer stopte. Daarnaast werd de school gesloten, en het vervoer van schoolkinderen naar Winschoten per bus gestaakt zodat de gezinnen compleet bleven voor de overplaatsing. Op 21 december is dan met veel machtsvertoon het Ambonezen kamp ontruimd door dertig man politie. Uit het officiële politierapport over de ontruiming blijkt dat men met militaire nauwkeurigheid deze operatie heeft uitgevoerd. Het Vrije Volk schreef over de ontruiming dat de bevolking bleef weigeren en dat het laatste verzoek namens de vrouwen van het woonoord was: “Laat ons alstublieft hier blijven. Anders willen wij in een telegram de Koningin verzoeken ons allemaal hier in de kerk door een vuurpeloton te laten doodschieten.”
Zo ver kwam het gelukkig niet al hadden de meeste agenten bij de ontruiming de revolvers en karabijnen wel in de aanslag. Na overleg vroegen ze om een schriftelijke verklaring, dat zij het kamp gedwongen en onder protest hadden verlaten. Na hun vertrek is gelijk met de afbraak van het kamp begonnen.

de RK St. Martinuskerk

779_1440x960

Voorheen lag Foxhol in de vroege kloostervereveningen van Essen onder Kropswolde. De verklaring dat er in Foxhol dan geen kerk of toren is heeft daar ook mee te maken. Het klooster had bij haar voorwerk op loopafstand even buiten dit  dorp een eigen kapel. Ook de naam van een van de wegen in het het dorp verwees in die dagen naar deze kapel. De kapel zou ook een van de noordelijke bedevaart plaatsen geweest zijn. In de Kapel, die lag bij hun voorwerk nabij de huidige molen “de Hoop”, bezat een Mariabeeld die de nodige wonderen verrichte. Tot aan de reductie wast dit de aangewezen plaats voor de Rooms Katholieken in deze streek.  In Foxham komt er na eeuwen pas weer een Roomse kerk de RK St. Martinuskerk uit 1891.  Deze zaalkerk is een ontworpen door architect N. Molenaar, leerling van P.J.H. Cuypers. De begraafplaats op ruime afstand achter deze kerk is ouder maar daar is weinig over te vinden. .

Marktontwikkeling

33A6BD813792C718C1EB85C6238EB4FD-brug-met-aardappelmeelfabriek-de-toekomst

De Toekomst Nieuw Compagnie

Het dorp Foxhol zal na de eerste grote verveningen van de stad nog lang in omvang, vergelijkbaar met Kropswolde, gelijk blijven aan wat ze in korte tijd geworden was. Dit in tegenstelling tot Martenshoek, Hoogezand en Sappemeer waar dan geleidelijk de eerste grotere industrieën ontstaan. Pas als met namen de scheepsbouw door schaalvergroting moet uitwijken naar locaties buiten de te smalle sluis in Martenshoek, met haar voor grote schepen ook nog eens hinderlijke bochten, zal de strook grond tussen Martenshoek en Foxhol en het Foxholsterbosch, even boven het dorp gelegen, hen uitkomst bieden. Ook laat W. A. Scholten met zijn dan noch experimentele aardappelmeel producten, zijn oog vallen op Foxhol, schoon water goede brede kanalen voor de aanvoer van aardappelen en in die dagen voldoende werklieden, die wel wat werk konden gebruiken. Even leek het erop dat de industrie zich ook zal gaan uitbreiden langs de Nieuwe Compagnie met in het Oosten de Woldweg en het oude kloosterveen. Hier kwamen twee Fabrieken. De Eendracht uit 1898, was een zogenaamde ‘coöperatieve’ fabriek en was gesticht door de boeren zelf. De monopolie-positie van fabrikanten konden de boeren hiermee nu doorbreken en een deel van de winst uitkeren aan de boeren zelf. De fabriek is in 1935 samen gegaan met De Toekomst waarbij de Eendracht is stilgelegd. Het aanbod van Scholten om de slecht draaiende Eendracht te kopen zal op een vergadering in Hotel Faber aldus het NvhN maar kort besproken zijn waarna de beide directies besloten als een fabriek onder de naam ‘De Toekomst’ door te gaan. De Toekomst uit 1900 was even zo een coöperatieve aardappelmeel fabriek en bleef tot ongeveer 1970 in bedrijf. Met deze Coöperatieve ondernemingen was Scholten natuurlijk niet zo gelukkig.

De fabrieken aan de Nieuwe Compagnie betrok hun spoelwater uit het Zuidlaardermeer waarbij het waterschap Kropswolde (molensloten) weer een rol zal gaan spelen. Dit waterschap is opgericht op 13 juli 1905 en een jaar voor het sluiten van ‘De Toekomst’ weer opgegaan in waterschap Hunze en Aa’s. Voorheen, vanaf het verdwijnen van de kloosters, waren de boeren van Kropswolde en Foxhol lagentijd zelf verantwoordelijk voor het water beheer. Een andere industrie die in Nieuwe Compagnie zijn geluk beproefde was een scheepswerf die even als de aardlepelmeelfabriek  weer zou verdwijnen, hierna zijn hier geen nieuwe industrieën meer gekomen. Nu is er bij voormalige ‘De Toekomst’ een nieuwe sluis te vinden die is gebouwd voor de plezier-vaarrecreatie tussen de veenkolonie en het Zuidlaardermeer. De fabriek zelf geeft al jaren onderdak aan een grote wekelijkse rommelmarkt met braderie.

Ondanks deze nieuwe industrie die naar Foxhol komt blijft de groei van de dorpen Kropswolde en Foxhol gering. De nieuwe opkomende klasse van industriearbeiders zijn met de overgang naar een nieuwe tijd, duidelijk niet in staat om hier een redelijk eigen huis te verwerven. Op 12 augustus 1886 diende het kamerlid H. Goeman Borgesius een voorstel in om te komen tot een onderzoek naar de werking van de wet op de kinderarbeid uit 1874. Door dit voorstel zal door het houden van een parlementaire enquête de toestand in de industrie van die dagen in kaart gebracht moeten brengen, alvorens de kamer kan beslissen er iets tegen te doen. Ook worstelde sommigen met de vraag of nieuwe wetgeving hierop wel een taak van de kamer was. Veel industriëlen zaten in die dagen “gekozen” in de kamer. Van belangenverstrengeling was dus geen sprake. Of juist wel want vrouwen hadden toen nog geen stem maar werkte wel, tegen aanzienlijk lager loon in de fabrieken. Hierdoor zaten de mannen vaak werkeloos tuis. De middeleeuwen had zo zijn armen, bedellaars en zwervers, maar hier ging het om de levensstandaard van een werkende klasse. Twee zaken die je dus niet met elkaar kunt vergelijken, want die was voor mensen die een beroep of vak uitoefende in de middeleeuwen feitelijk vele malen beter.

Archief Museum Station Kropswolde; Enquête, staatscommissie, benoemd krachtens de wet van 19 Januari 1890 (Staatsblad no. 1) – Groninger Veenkoloniën:  1583.V. Bezit uw firma arbeiderswoningen? (Hooites Beukema strokartonfabriek Hoogezand) A. Ja, ongeveer 20. 1584.V. Zijn die goed ingericht? A. Ik geloof het wel. (Er was geen water en w.c. aanwezig) 1587. V. Verleden jaar is er in de woningen tegenover uw fabriek eene tyfus-epidemie uitgebroken; was dat in uw woningen?  A. Ja. 1588.V. Was dat toe te schrijven aan slecht drinkwater? (Water uit het kanaal) A. men houdt het er voor— (Enzovoort) In 1899 koop de gemeente Hoogezand van de familie Hooites een stuk grond voor f 9000,- voor de bauw van een gemeentelijk armenhuis.
GEVOLGTEEKKINGEN UIT DE ARBEIDS ENQUÊTE IN HET NOORDOOSTELIJK DEEL DES LANDS. 1893: “Toch ontbreekt het nergens aan slechte woningen, nadelig voor de gezondheid der bewoners en middellijk ook voor de openbare gezondheid. In vele gemeenten treft men stegen en sloppen aan, die bij gebreke van verwijdering der faecahên, niet zelden ook door verontreiniging van het drinkwater, brandpunten van besmettelijke ziekten zijn. Dit is een gevolg van onvoldoend toezicht in vroeger tijden, dat ook daar wordt waargenomen, waar vele betere arbeiderswoningen zijn verrezen. Opruiming van krotten houdt toch met den aanbouw van nieuwe woningen geen gelijken tred. Bij toeneming van de bevolking der steden belet het bouwen van betere woningen niet, dat de krotten bewoners blijven vinden. In plattelandsgemeenten ziet men soms ongaarne nieuwe woningen verrijzen, uit vrees dat de bestaande slechte woningen door behoeftige lieden van elders zullen worden betrokken.”  (De laatste bewoners van de lanen in Foxham kregen rond 1960 door de gemeente Hoogezand Sappemeer pas een ander huis aangeboden waarna de onderkomens zijn afgebroken.)

De vraag waar de regering nu op moet antwoorden is of armoede van God gegeven is omdat hoger ons dwingt tot werk, of is armoede een uitvinding van bazen die voor god spelen.
In eerste instantie besloot de commissie de Groninger veenkoloniën niet eens te onderzoeken. Later in 1890 kwam die er wel en met namen over de toestanden in en rond Martenshoek en Foxham zakte uiteindelijk ook de dwarsliggers de moed in de schoenen; of het daar in het noorden, ook na de bestrijding van de plaatselijke tyfusepidemie onder arbeiders, ooit wel goed zal komen. En dat ook met een goed oog voor de eigen belagen, gezonde werknemers wellicht beter werk leveren. In verhouding met de toestanden in steden kwam met namen de bevolking in dit deel van de veenkolonie door verschillende factoren de ellende redelijk goed te boven. Of anders bezien, ze was van een andere beleving. Scheepsbouwers die geleidelijk aan door de daarop volgende crisis ook in zwaar weer terecht kwamen, konden zich staande houden door opdrachten niet af te wachten,  zij bouwde schepen. Kortom zoals je met de hand een kanaal graaft die na een aantal eeuwen tot aan Klazienaveen goed bevaarbaar is. Voor dat concept moesten ze soms wel een lange adem hebben. Zo bleef er een driemastschoener ruim zes jaar in het nabij Foxhol gelegen Waterhuizen aan de kade liggen in afwachting op een koper. Tussentijds had de werf al weer andere, meest kleinere opdrachten of weer nieuwe schepen op stapel staan, waarvoor zij dachten wel snel een koper te kunnen vinden. Wat de geschiedenis van Foxhol zo bijzonder maakt is dat het in tegenstelling tot een traditioneel Hollands dorp van boeren tussen groene wijde en akkers, het hier vanaf de klooster vervening is, wat ze in Engeland een industrie stadjes noemen.

Foxham en andere projecten 

Koningsgang (Foxham)

Ook na de aanvang van de stads verveningen bleef het Abraham-diep tussen Foxhol en Martenshoek een grens. De noordkant Foxham behoorde tot de gemeente Slochteren en Foxhol en Martenshoek bij de gemeente Hoogezand. Toen de gemeente Hoogezand de straat langs het kanaal voorzag met grasverlichting stopte die plots na de laatste bocht bij Martenshoek.  De bewoners van Foxham beklaagde zich daarover. Voor hun eigen gemeente was Foxham een achteraf gelegen dorpje en bij Hoogezand kregen ze te horen bij de verkeerde gemeente te klagen. Hierdoor nam de achterstand met de jaren toe. Voordelen om de grens te zo te houden, terwijl het feitelijk gewoon een stuk van Hoogezand was, waren er ook. Hier konden bedrijven aan de zuidkant van het diep en in Martenshoek onophoudelijk putten uit goedkope arbeidskrachten die bij de gemeente met hun klachten niet terecht konden en in hun eigen gemeente wisten ze al bijna niet meer dat het er was. De arbeiders van de fabrieken woonde in lange, haaks op het diep gelegen armoedige gebouwde aaneengesloten lanen richting Kolham. Geen stroom en drinkwater uit het door industrieën vervuilde kanaal. De W.C. was een lokaal gelegen put waar al de bewoners gebruik van konden maken. Kortom het vasthouden aan de oude grens had dus grote maatschappelijke gevolgen. Als het goed ging in de industrie ging het goed met de bewoners van Foxham en andersom kelderde de waarde en normen enorm. In de eerder genoemde parlementaire enquête spreekt men dan ook over: schrikbarende vormen van drank misbruik ter plaatse, met namen onder fabrieksgezellen. In 1920 brachten de bewoners noch zelf geld bijeen voor de aanleg van een degelijk voetpad die zou aansluiten op die van Martenshoek. Met de slechte staat van de laan of krimpen had de gemeente niets te maken, die waren in particulier bezit bij lokale fabrieken. Pas toen het nieuwe omleidings-kanaal om Hoogezand in 1955 klaar was kwam Foxham en haar lanen bij de gemeente Hoogezand. In de jaren dertig is er in de gemeente Hoogezand weer veel werkeloosheid. Maar hoe de gemeente hiermee, tot na de oorlogjaren, omging is alleen in de krant of uit ander bronmateriaal op te maken. Het archief van de gemeente lag in een de kluis en op de zolder van het gemeentehuis aan de Hoofdstraat. Bij raadsbesluit van 9 februari 1970 is besloten de stukken die jonger dan 50 jaar waren niet openbaar te maken. In datzelfde jaar verleenden B en W de beheerder van het archief een algemene machtiging tot vernietiging van archiefbescheiden. Een merkwaardig besluit omdat de toenmalige burgemeester Boekhoven eerder in 1949 voor oa. zijn verzetsdaden het Oorlogskruis met gesp ontving voor zijn bijzondere verdiensten. Waarschijnlijk zijn uit het archief ook stuken verdwenen zonder dat hiervoor een verklaring van vernietiging is opgemaakt. Wat er is verdwenen weten we dus niet.  Hoe de door de bezetter aangestelde NSB burgemeester G. Spoelstra in 1942 omging met gemeentesteun aan met namen arme joden hebben we dan ook uit andere bronnen, waaronder een citaat uit zijn brief aan de Sicherheitsdienst: “Dat het anti Nationaal Socialistische armbestuur zich aan ergerlijke jodenbevoordeeling heeft schuldig gemaakt, wat ik een schandaal vind tegenover mijn arische bevolking.” De ondersteuning van joden werd onmiddellijk stopgezet. Een maand later besloot de NSB burgemeester het Burgerlijk armenbestuur op te heffen en nam deze onder eigen beheer. De toenmalige burgemeester Jan Tuin die hier verantwoordelijk was voor de steun aan joden is daarop opgepakt en geïnterneerd in Sint Michielsgestel. Na de oorlog keerde hij voor één jaar terug op zijn post in Hoogezand, om daarna te worden gekozen tot lid van de Tweede Kamer. Na de oorlog was hij verantwoordelijk voor een grootschalige inzamelings-actie voor het door de oorlog zwaar beschadigde HEVEA dorp van de voormalige in Hoogezand gevestigde rubber fabriek. In 1951 werd hij benoemd tot burgemeester van de stad Groningen. Als burgemeester was hij bijzonder geliefd. Bij zijn afscheid in 1965 zamelde de burgerij van Groningen 90.000 gulden in, als startkapitaal voor de op te richten Jan Tuinstichting, die in Groningen een aantal jeugdhuizen zou gaan beheren.

33ee4e0c02c086e01cfdfe5a57cc1bb31e1b498540bd4d979919a5c430b3da7e

Krullweg Foxhol

Volksbelang en de Burgemeester van Royenstraat

De laatste bewoners van de lanen in Foxham kregen rond 1960 pas een ander huis aangeboden waarna de onderkomens zijn afgebroken. Vraag was ook waar de arbeiders rond 1900 anders heen zouden moeten. Hoogezand wat tot dan alleen nog bestond uit lintbebouwing langs de grotere doorgaande kanalen en die door de toename van de bevolking al bijna aaneengesloten bebouwd was, met hier en daar een laan haaks op het kanaal, voor de wat minder kapitaalkrachtigen. In 1924 komt dan de lange Burgemeester van Royenstraat-Oost en West; aangelegd in het kader van een werkverschaffingsproject. Na de woningwet zal in Hoogezand dan ook de eerste woningbouwvereniging Volksbelang opgericht worden. Haar eerste projecten lagen in Sappemeer aan de Nieuweweg en later ook aan de Burgemeester van Royenstraat-West met aansluiting op de Woldweg. Bij een ander project kwamen er aan de Krullweg in Foxhol in 1928 voor de meest uitzichtloze gevallen uit de gemeente, een twaalftal nieuwe huizen.(heden afgebroken) Tegen 1940 wonen er ter vergelijking met de veenkolonie Kiel Windeweer in de  Burgemeester van Royenstraat al meer mensen. De Julianastraat herbergt de overige groei en zal Foxham langzaam ingesloten worden tussen industrie. Een van de recente plannen van de Gemeente was het om het gebied vanaf Martenshoek tot en met de Korte Groningerweg en Korte Borgweg te bestempelen als industrie, waarbij het restant van de particuliere woningen, waaronder die van Foxham dan geleidelijk aan zullen moeten wijken.

van royenstraatDe slechte huisvesting in Foxham, die we al kennen uit de  parlementaire enquête van 1890 beslaat dan al een periode van 10 jaren. Na deze enquête zullen de laatste bewoners
rond 1960 de lanen pas moeten verlaten voor afbraak. Andere dergelijke slechte fabriekshuisvesting, zoals de zo genoemde “Niestern kazerne” met 50 kamers in Martenshoek, van de gelijknamige scheepswerf, waren al wel afgebroken. Uit de verhoren in de enquête is ook op te maken dat er meer van dergelijk onderkomens op de Molendijk stonden die eigenlijk al afgebroken hadden moeten zijn. Het wachten was op de gemeentelijke verordening tot ontruiming, waar ze geen haast mee leek te hebben, aldus de enquête commissie. Feit is wel dat er na deze enquête geen nieuwe kamer woningen bij kwamen, wat ook niet kon vanwege de woningwet die in ging op 1 augustus 1902. Hierdoor had de gemeente ook bevoegdheid gekregen ondeugdelijke woning onbewoonbaar te verklaren. Een merendeel van de bewoners kwam uiteindelijk wel in aanmerking voor een woning in een van de door Volksbelang gerealiseerde projecten, waaronder die in de Burg. van Royenstraat. We spreken dan wel over ruim veertig jaar na de enquête Groninger veenkolonie. In deze straat staat het grootste deel van de huizen uit deze eerste geslaagde sociale woningbouw projecten er nog en waarvan een doel nog bij de coöperaties in verhuur zijn.

 

HET TOLHUIS “Heen motte betalen en weer weer.”

Zelf kom ik uit de omgeving van Slot Loevestein en met het voetveer vanaf Woudrichem of met een voetveer vanaf Gorinchem was het kasteel toen al een veelzijdig uitstapje. Fietsen, veerbootjes en een kasteel, en ik was niet de enigste die bij het bordje met de tekst “Heen motte betalen en weer weer.” in mijn broekzak grabbelde om te zien of ik wel genoeg voor de terugreis bij me had. De tekst op het bordje bij de stijger was van pontbaas Janus Baks († 1983) en duikt nu nog altijd op het internet op. Waarschijnlijk niet alleen vanwege dat grabbel effect en de dubbele betekenis van weer. Ook het dialect zal bij sommigen een rol spelen. Maar dan wel een dialect die Groningers maar al te goed begrijpen hebben als het om het verplaatsen van mensen en goederen gaat.

Foxhol tolhek

Bij dit tolhuis met hek te Foxhol stopte ooit een oorspronkelijk rechtsgebied, het zogenaamde Go-recht. Dit Go rechtsgebied stamt al uit een tijd toen Groningen hierin nog een van de 13 dorpen was. Daarbuiten lagen de  gebieden ’t Halve Ambt, Marne, Middag, Hunsingo, Oosterambt, Langewold, Vredewold, Humsterland, Fivelgo oosterambt, Fivelgo westerambt en Duurswolde. Door de opkomst van Groningen als stad is het Go-recht in 1392 door de toenmalige bisschop van Utrecht, Frederik van Blankenheim, in honderdjarige pacht aan de stad Groningen overgedragen. In de praktijk waren de Groningers die rechten zo rond 1410 alweer kwijt. In 1460 zal Groningen de rechten dan alsnog kopen. Gedeelten van dit Go waren door dit bisdom eerder al verschonken aan de abdij van Werden. (Werden is tegenwoordig een stadsdeel van het Duitse Essen. Deze abdij is aan het einde van de achtste eeuw gesticht door Liudger, die uit een Friese familie stamde, en zal later de eerste bisschop van Münster worden.) Uiteindelijk kopt de stad Groningen in 1617 ook al de kloostergronden die na de Reductie (1594) eerst naar de toenmalige provincie Stad en Landen gingen. Ook binnen het verband van de nieuwe gevormde Republiek bleef de stad binnen het gewest Stad en Lande privaat-eigenaar en de publieke overheid in haar eigen Go gewesten.

De grens met Fivelgo of Fivelingo waar Kolham onder viel en het Go-recht van de stad, loopt langs het Abrahamsdiep tot aan Martenshoek. Het kanaal verlaat de beding van dit oude riviertje en komt in de eerste bocht van het nieuw gegraven kanaal in het Oldambt, een gewest waar de stad min of meer al zijn recht kon laten gelden. Even voorbij die bocht vinden we dan gelijk een tweede tolhuis, die met het Oldamdt. Kortom eigenaar of niet stad laat de oude grenzen voor wat ze zijn en gunt het Oldambt een eigen landrecht, en vraagt tol. Vanaf het tolhuis bij Foxham komen we op dezelfde kaart op de Woldweg een tweede tolhuis tegen tegenover de kerk van Kropswolde, waar er in de 17de eeuw ook al een te vinden was. Het vroegste tolhek of poort tussen de rechtsgebieden was te vinden aan de driesprong Borgweg O.L Vrouwen-laan Woldweg. Met de stadsverevening die even na 1600 een aanvang hebben zal dit tolhek wel iets verplaatst moeten worden, en komt dan ten opzichte van de oude, een paar stappen verderop richting Martenshoek te liggen. Vermoedelijk is daarbij de O.L.Vrouwenlaan als openbare verbinding met Kolham ook komen te vervallen. Kolham was Fivelingo en niet in eigendom bij de stad. De nieuwe officiële verbinding met Kolham komt dan tussen dit tolhuis en Martenshoek. De eerste laan als we door het tolhek heen zijn krijgt dan de naam Heerenlaan. Een verwijzing naar de Heeren trekvaart, later Winschoterdiep. In politieke zin waren de veengronden van het klooster over gegaan naar de Heeren van de stad. Maar de laan lag toen nog niet op grond van de stad, en komt daar ook nooit. Hier komt de merkwaardige positie van dit stukje grond, en het latere dorp Foxham op deze plaats, al om de bocht. En de vraag is ook waarom de stad geen moeite doet om ook de weg langs haar kanaal vanaf het tolhek tot aan Martenshoek niet binnen haar grenzen te krijgen. Want al het wegverkeer van en naar de stad Groninger venen zal hierdoor nog jaren door de tuin van de buren moeten lopen. Of wel: “Heen motte betalle en weer weer.”

Aan de overzijde van het kanaal ging de weg wel over het eigen Go-recht, maar die had de stad in eigendom verpacht aan boeren, die de grond later weer verkochten aan de werven. De aanleg van een goede simpele verbinding met de Woldweg vanaf Martenhoek had het probleem ook kunnen verhelpen.

In de bijbel warden de tollenaren gelijk aan zondaars. Maar Jezus ging wel met hen aan tafel alsof het zijn vrienden waren, waar men schande van sprak. Zij pachtte de tol voor een jaar van het Romeinse rijk en dit gebeurde hier tot aan het opheffen van de tolhekken op dezelfde wijze. Zij werden door de gemeente Groningen openbaar verpacht. De conflicten tussen de stad en haar ommelanden mogen dan verdwenen zijn, en de ‘Stad en lande’ een van de provincies van de ‘Republiek der Verenigde Provinciën’  de tol op de oude Go grenzen bleef nog lang een bron van inkomsten voor de stad zelf, en een ergernis voor het volk. Zo was het aldus een krantenbericht dat bij het ontwaken der tolgaarder Muller te Zorgvlied hij tot de minder aangename ontdekking kwam, dat zijn tolboom verdwenen was. Want door de invoering van de wegenbelasting in 1926 voelden reizigers zich ook nog eens dubbel gepakt omdat ook dan, de Tol bleef. Maar niet alleen op de oude Go grenzen bleef het Tolhek op slot voor wie niet betaalde. Als er tussen de Woldweg en Martenshoek een betere verbinding komt, de huidige Julianastraat, gaat dat met; Tol. In dit geval geheven door de gemeente Hoogezand. Tussentijds waren er in 1815 door Willem I alweer nieuwe tolbomen opgericht. Willem I bepaalde dat er om de 5 kilometer, ongeveer een uur lopen, er een tolboom moest komen. Kortom, over akkers en weilanden naar andere plaatsen lopen was goedkoper en daarom verboden, met straffen tot wel 3 dagen brommen op landlopen.

De komst van de trein bracht verandering, hierdoor was reizen over grotere afstanden aanzienlijk goedkoper geworden. Uiteindelijk werden op 1 mei 1900 alle rijkstollen afgeschaft. Gemeentelijke en particuliere tol zal dan nog wel blijven, zo ook die te Foxhol. De tollen in Nederland zijn na 1945 grotendeels wel verdwenen. In 1929 had de gemeente Groningen al zien aankomen dat de tol hier op deze weg zal verdwijnen omdat de weg langs het kanaal zal worden opgenomen in het stelsel van de rijkswegen. De gemeente Groningen beslist in 1932 het dan, omschreven als “voormalige”, tolhuis voor onbepaalde tijd te verhuren aan A. Benthem. Die eerder op het gemeentelijk tolhuis in Kropawolde zat, die de gemeente Hoogezand in 1908 ook zou hebben gesloten. (helemaal duidelijk is dat niet.) De overdracht van de wegen naar rijkswegen komt in Hoogezand pas in 1936, na wat touwtrekken van 7 jaren na 1926 met de gemeente Hoogezand dan eindelijk rond, waarbij de gemeente Hoogezand een afkoopsom van f 80.000 zal moeten betalen voor de nieuwe rijkswegen op haar grondgebied en waarbij de provincie dan meteen eigenaresse zal worden van dit voormalig, dan noch steeds stad-Groninger-tolhuis. De twee palen van het hek, die al die tijd het verkeer danig hadden weten te hinderen, omdat de doorgang veel te smal was, zijn na dit besluit dan ook gelijk afgebroken.
In de jaren waarin de gemeente in onderhandeling was over de overdracht van haar doorgaande wegen naar het rijk,  was er in Hoogezand in 1931 een comité van actie inzake opheffing van stadstollen opgericht. Zij wensten dat al de stadstollen in de provincie zouden verdwijnen. De gemeente Hoogezand ondersteunde het comité  en als gevolg werden de stadstollen opgeheven. Dit verklaart ook de toevoeging, Voormalig-tolhuis bij de laatste verhuring in 1932. Een andere reden om de tollen af te schaffen vinden we ook al in een advies aan de tweede kamer uit 1898: “Clandestiene drankverkoop komt niet alleen in de steden, maar ook ten plattelande zeer veel voor. Onder hen, die zich daaraan schuldig maken, worden uit de veenkoloniën en veenstreken in het bijzonder tolgaarders en sluismeesters vermeld. Een burgemeester verklaart in zijne gemeente geen enkel tolgaarder te kennen die niet geverbaliseerd is; eene bekeuring heeft ten gevolge, dat men zich meer in acht neemt en alleen aan vaste klanten tapt. Op de gezindheid der gemeenteraden tot hot tegengaan van het misbruik, dat tollen tevens clandestiene tapperijen zijn, valt niet overal te rekenen. . Afschaffing van tollen zou stellig ook tot vermindering van verboden drankverkoop leiden. “

De overdracht van de wegen gaat dan verder noch in op de Kielsterachterweg waar de gemeente al die jaren de wens had het om deze weg naar en van Veendam te verbeteren.
Deze weg zal een breedte van 18 Meter een verhard dek van 6 Meter en links en rechts van de verharding een veilig rijwielpad krijgen. Voorstel aan de gemeente is dan dat zij de grondwerken voor het verkrijgen van een nieuwen weg kan laten uitvoeren in het kader van de rijks-werkverschaffing. Ook  het door de gemeente te betalen aandeel voor haar regie bij de verdere uitvoering, zal door de provincie worden terugbetaald. NvhN 1936: B. en W. berekenen dat als de transactie niet tot stand komt Hoogezand den weg zal moeten verbeteren en verbreeden en per jaar f 450 per K.M. aan onderhoud en afschrijving zal moeten betalen, hetgeen een bedrag van rond F 2950 per jaar zal zijn. Nu kan de gemeente er af komen, door 40 jaren aaneen f 4347 te betalen. Dat prefereeren B. en W. en daarom stellen ze voor, tot de overdracht te besluiten. De raad beslist na deze droge rekensom positief. In de laatste rondvraag van dezelfde vergadering vragen twee raadsleden nog even aandacht om ook eens naar de slechte weg door Foxhol naar Kropswolde te kijken. Maar die weg zal tot ver na de oorlog in tegenstelling tot haar net genomen werkverschaffingsproject slecht blijven. Tegen geluiden  waren er in de raad eerder wel te horen geweest. In april 1933 merkte raadslid Ballema al op dat de werklozen per veewagens naar Westerwolde werden vervoerd: “Het vee eruit, de arbeiders erin”.

In de negentiende-eeuw was het ook al moeilijk geweest om de nodige noodzakelijke verbeteringen aan de Woldweg rond te krijgen. De weg had in die eeuw, als belangrijke verbindingsweg met Drenthe, duidelijk haar waarde verloren. Ook met de aanleg van de spoorlijn tussen beide dorpen in, komt er in eerste instantie geen station. Op aandringen van de plaatselijke bevolking komt er wel een zogenaamde, “proef”-halte, wat niet meer dan een wachtkamer was. In 1958 komen er ineens wel grote veranderingen voor het dorp. Dan krijgt het dorp er een geheel nieuwe woonwijk bij waarbij dan ook het kanaal door het dorp gedempt is, De nieuwe doorgaande weg uit Zuidlaren naar Groningen komt dan ook buiten het dorp te liggen, waardoor de brug bij het tolhuis (onder protest) zal verdwijnen. Ook het nieuwe kanaal om Hoogezand is klaar, met daarnaast de nieuwe weg naar Groningen. De oude weg waar het tolhuis aan staat is door die ingreep ineens een doodlopende weg geworden en heet nu Kerte-Groningerweg. Wat hier in tegenstelling tot Hoogezand wel over blijft, is dat dit deel van het kanaal voor de schepen die van de Fikkerswerf af komen, niet gedempt zal worden, Aan de andere kant van de nieuwe Woldweg zal voor de scheepswerf Voorwaarts en de daarnaast gelegen werven tot aan de scheeps-betimmerings-werf van Helmers in Martenhoek, het oude Winschoterdiep ook open moeten blijven. Helmers voerde daar zelfs de nodige rechtszaken over en zal in tegenstelling tot de wens van de gemeente blijven zitten waar hij zat. Voor ander werven gold hetzelfde.

Tolhek en huis te Foxhol 1929

Als tol hierin de overweging was om de grond niet bij de veenkolonieen te betrekken heeft die een vanzelfsprekende ontwikkeling van een dorp, en de wens van mensen daar een dorp te stichten, nog eeuwen in de weg gestaan.
Alleen voor de zondag was er een uitzondering. Dan kom men tussendoor over het kerkenpad vanaf Martenshoek naar Kropswolde. Ook vanaf de molen liep er een pad naar Martenshoek. Uitzonderingen op het landlopen waren er dus wel. Officieel bestonden die wegen niet, die wegen werden door mensen gemaakt. Met de afschaffing van de tollen kwam rond 1930, door verbeteringen aan de kanalen in de veenkolonie, ook het verlaat in Martenshoek buiten werking en daarmee ook het sluisgeld. De stadsmeiers, ook wel beklemrecht, uit 1628 zullen nog even op zich laten wachtte. Dit betekende dat de gemeente Hoogezand jaarlijks tot in de twintigste eeuw een vast bedrag aan stadsmeierrechten moest afdragen, voor stadsgronden die in haar bezit waren.

——-

De Molensloten Watermolen/Stoomgemaal van het waterschap Kropswolde.

Foxhol Kaart

Tussen 1150 en 1250 komt in de stad en haar ommelanden een late kerstening in de vorm van kloosters tot ontwikkeling. Vanaf de achtste eeuw was hier echter ook al klooster bezit aanwezig die vielen onder de abdij van Werden, (Essen Duitsland. Bekend is dat deze abdij in Groningen een hof heeft gehad van waaruit haar bezittingen in de Ommelanden werden bestierd. Een van de dorpen die in de oude grondboeken van dit klooster opduikt is Glimmen, die toen ook tot het Go-recht behoorde. De grondboeken zijn geschreven in het oudnederduits en vormen dus ook in taalkundig opzicht een schat aan kennis. In het Go-recht waren tussen de negende en de twaalfde eeuw nog andere grootgrondbezitters aanwezig, namelijk de bisschop van Utrecht en het Domkapittel van Utrecht.
Met deze nieuwe gestichte kloosters in noord Nederland komen de eerste klooster ondernemingen met voorwerken naar de weide en veengebieden globaal genomen rondom Kropswolde. Ten noorden van Kropswolde tot aan de Go-grens is dat het voorwerk van het klooster Essen nabij Haren en die hier tot aan de reductie zal blijven werken. Hiermee komt er dan een patroon van kanalen (sloten) voor de afwatering van deze gebieden ten oosten en westen van de Woldweg (borg) tot ontwikkeling. En nog iets noordelijker behoren ook de landerijen ten westen van de O.L. Vrouwen-laan daar toe. Het patroon is nu nog goed de volgen ook al zijn er na de aanleg in 1925 van parken en na 1990 door het industrieterrein bij Foxhol en de aanleg van nieuwe natuurgebieden langs de Hunze, tussen Zuidlaardermeer en de spoordijk Groningen Winschoten, delen doorbroken of zelfs geheel verdwenen. Deze oude waterhuishouding heeft ten opzichte van de nieuw gegraven kanalen van de iets verderop gelegen Groninger veenkolonie altijd haar zelfstandige positie behouden. Het Esser klooster bezit komt na de reductie in 1594 waarbij de stad werd samengevoegd met de Ommelanden, in bezit bij het nieuwe bestuur van Stad en Landen. Eerste komt de waterhuishouding van dit gebied, het waterschap voormalig Esser veen, onder verantwoording bij het huis te Slochteren (Fraeylemaborg). Als de stad de venen in bezit heeft krijgen de pachters de plicht zelf zorg te dragen voor een goede afwatering. Dit in tegenstelling tot de kanalen die ze bij Martenshoek laat graven en waar zij middels de pacht zelf de verplichting op zich neemt. In 1852 zal een blikseminslag de watermolen uit 1822 aan het einde van de Molensloot treffen, waardoor ze afbrand. De molen blijkt niet verzekert te zijn, waaruit we kunnen opmaken dat de molen geen stads bezit was. Bij de stad komt bij schade en verbeteringen aan de kanalen en sluizen de benodigde financiële middelen uit de pacht overeenkomsten met de stadsmeiers, en uit de diep en tolgelden. Na de brand komt er wel weer een nieuwe watermolen, die na de oprichting van het waterschap Kropswolde in 1905, ten behoeve van een goede waterhuishouding voor de aardappelmeel fabrieken aan de Nieuwe Compagnie en natuurlijk ook voor de boeren, vervangen is door een stoomgemaal. Bij het in gebruik nemen van dit stoomgemaal bij Foxhol zal de molen bij de Leine door het samenvoegen van de waterhuishouding ten Oosten en ten Westen van de Woldweg, in onbruik raken. Waarop deze molens uit 1864 afgebroken is. Hier was vanaf 1772 al een molen, die door de boer Jacob Boschma uit Kropswolde met enkele compagnons opgericht was. Hij zal daarvoor ook een verzoek in dienen bij de Staten van Groningen om dat naar zijn mening het hier om een algemeen belang ging. Waarop zij een financiële bijdrage beschikbaar stelde. Ook hieruit blijkt dat de waterhuishouding hier niet onder de verantwoordelijkheid van stads veenkoloniën lagen.
De watermolen bij Foxhol zal even na 1905 verkocht worden aan J van Eerden om in Sellingen aan de Westerkamp weer diens te doen als korenmolen. Rond 1930 is de molen vervangen door een elektromotor en daarop waarschijnlijk afgebroken. In Foxhol is rond dezelfde jaren ook een elektropomp in gebruik genomen ter vervanging van het stoomgemaal. Het zogenaamde mollenhuis van het stoomgemaal waar de pomp in te vinden was zou er tot de rond 1975 nog staan en is daarna vervangen door een modern klein gemaal dat deels naast de Woldweg in de grond zit. Een van de andere zij sloten van de hoofdsloot waar het gemaal aan staat loopt achter de Julianastraat en zal na de aanleg van de spoordijk Groningen Winschoten ten Oosten hiervan in gebruik blijven als spoelwater voorziening van een andere fabriek, de Scholten Beukema karton fabriek in Martenshoek. Deze fabriek van Scholten uit 1879 zal later zelfstandig doorgaan als Beukema en is na diverse overnamen nu nog in gebruik. De sloot heet nu ook nog wel de Beukema sloot. Aan de Westkant van de Woldweg loop ze langs de spoordijk tot in het Foxholstermeer van waar ze haar water betrekt, dus van waar W.A Scholten Foxhol zijn water ook al opviste.

Foxhol draaibrug

Watermolen Foxhol 1852

De volks naam verklaring van Essen

Hier zijn verschillende ideeën over. Waarvan een Bijbelse naam er een van is.
Het dankt in die betekenis zijn naam aan de vader van Koning David (Yesse, Jesse, Isaï),
maar omdat de Bijbel al een oud geschrift is zal de verbastering van namen daaruit in mondelinge overdracht wel vaak plaats vinden, dit in tegenstelling tot mensen die het schrijven en lezen eigen zijn. Andere verklaring die naar wat hier in deze Go gewesten en bij kloosters al vroeg een rol speelde was de verpachting. In die betekenis is essen op veel plaatsen terug te vinden. Zo ook de latere stad Essen bij Werden waar een klooster was die al vanaf de achtste eeuw gronden in het Go bezat. Zo is wellicht de betekenis van de naam Assen ook uit  essen ontstaan. Het Go-recht behoorde voorheen deels ook tot Drenthe. Zo vinden we bij de Asser historische vereniging, die de naam uitgezocht heeft de volgende verklaring, die naar mijn idee ook meer recht doet aan de eigendoms-situatie in de veengebieden van het Go. “Een oorkonde van 1276 spreekt van het convent van Assen. Een notitie van 1335 vertelt ons, dat het klooster werd gebouwd op grond toebehorend aan de Domkerk te Utrecht., waarvoor de pacht betaald moest worden. Bij deze mededeling aansluitend is het mogelijk een aanvaardbare naamsverklaring te geven. Het Oudsaksisch kende namelijk een woord ‘asna’: = pacht of loon; Oudfries ‘esna’; Oudhoogduits ‘asnan’. Zowel ‘asne’ als ‘asnen’ zouden zich kunnen ontwikkelen tot ‘Assen’, de naam van de Drentse hoofdstad. De naam is vermoedelijk door kloosterlingen gegeven.”

Ook in ons Go recht zien we dat delen van de abdij van Werden nabij Essen in Duitsland, van de de Utrechtse bisschop waren. Die laatste gaf zijn Go bezit in 1392 in honderdjarige pacht (essen) aan de stad Groningen. Wat deze verklaring spannender maakt is dat de vroege grondboeken uit de negende eeuw van de Abdij te Werden die in het Go bezettingen had en die dan weer verpachte, ook geschreven zijn in dat Oudsaksisch. Ander verklaring die er voor Esse is is dat ze uit vergelijkbare Friese jongensnamen komt. Om nu terug te komen op de naam Jesse of Yesse is bij de verklaring van het Meertens instituut is bij de Bijbelse naam Isaï  uit het Hebreeuwse, de uitgang ai als man te verklaren. En is Jesse(i) in de Nederlands joodse traditie uit de Friese taal via Iese uit Ese ontstaan. Kortom dan zijn we het kringetje weer rond. Om het nu niet al te warrig te maken met deze namen is het kortweg duidelijk en aannemelijk dat de naam Essen of Ese er eerder was dan Jesse of Yesse en die dan eerder een verbastering daarop zijn. Esse was zoals we al zagen in de oudste Friese betekenis vermoedelijk ‘pacht’, en dan wel door kloosters gedaan. Jesse of Yesse zal dan pas in een later betekenis, in het Nederlands ontstaan zijn als verwijzing naar de vader van Koning David Isaï. Als we aannemen dat essen de verpachting van land is dan is daarin ook duidelijk dat het zal gaan om land dat in cultuur gebracht is en opbrengsten geeft. De nog oudere verklaring van es, enk of eng is dan dat het hier zal gaan om een gemeenschappelijke akker. Die hoge ligging van een Es kan deels ontstaan zijn door de wijze van bemesting, en deels doordat de locaties van zichzelf al hoger lagen. In Drenthe zijn de esdorpen ontstaan in de hoge middeleeuwen grofweg van ca. 1000 tot ca. 1250. Ook op kunstmatige ‘terpen’ die eerst alleen als vluchtheuvel dienst deden ontstaan dorpen.Terp is dan ook zoveel als dorp. Wierde is in die zin een mooiere benaming. Wat de samenhang is met deze gronden die lager liggen is dat daar ook kunstmatige verhogingen in aangebracht moesten worden, maar dan niet door alleen door te verhogen, maar meestal door te graven en gelijk het water continu weer af te voeren door gegraven sloten
in een groter verband. Naast geheel Friesland zijn er drie clusters van in totaal 200 veenterpen in de Eeldermaden te vinden, en in de nabijgelegen gebieden Matsloot en Neerwolde. Hier ligt tegenwoordig het Paterswoldsemeer en de Hoornse plas. Zonder voorkennis zijn deze veenterpen nauwelijks als zodanig in het landschap herkenbaar omdat ze in de loop van de tijd in de omringende landerijen zijn weggezakt. Ze zijn voor kenners echter duidelijk te herkennen aan de afwijkende begroeiing. Ook in de Esser polders onder Kropswolde zijn er een paar aan te wijzen maar daar is verder nooit goed onderzoek naar gedaan.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Opgraving Hoogheem 2007

De katholieke verklaring van Jesse

De naam  Jesse (Isaï) verwijst ook wel naar Jezus, als de “twijg” aan de stam van de boom van jesse.  Bij de verering van Maria gaan ze in deze stamboom een stap terug. Want waar die “twijg” aan de stam te vinden is vinden we natuurlijk Maria. En dan staat er bij Wikipedia: ‘Het Latijnse woord voor twijg -virga- lijkt sterk op het Latijnse woord voor maagd -virgo-, die andere titel van Maria.’ De naam Maria van Jesse komen we dan ook wel vaker tegen. De meest bekende is de Delftse Mariadevotie die veel overeenkomsten heeft met het klooster in Essen. Hier was rond de stichtingsdatum, of even daarna ook een Mariabeeld die de nodige wonderen had laten zien. Het beeld in Essen zal later in de kapel tussen Kropswolde en Foxhol gestaan hebben waardoor ook hier, even zo als in Delft een bedevaart ontstaat die zo de nodige pelgrims aantrok. Dat bij dit klooster de Maria van Jesse en grote rol speelde staat wel zo goed als vast. Wanner het klooster Essen is gaan heten of dat beide namen tegelijk voorkwamen is niet duidelijk. In de Etymologie heeft Jesse en Essen duidelijk twee andere betekenissen. De naam Essen is in de volksverklaring dat dit het klooster van de essen was, of wel het klooster van de heuveltjes. Nog volkser; van de eilandjes. Wat feitelijk ook juist is omdat dit klooster door kundige waterwerken vooral landen in cultuur kon brengen en houden waar andere door de telkens hoge waterstanden van de Hunze geen brood in zagen. Tijdens de opgraving in Matsloot kregen de opgravers op een maandagochtend bezoek van de heer M. van der Vlugt uit Groningen.  Hij meldde dat in een nabij gelegen ondiep uitgegraven slibdepot ook scherven aan het oppervlak lagen. Dit materiaal, zo bleek, dateerde uit de Romeinse ijzertijd. Het vermoeden dat er in Kropswolde ook al Romeinen waren was er al en is door die vondst weer wat versterkt.

hoogezandmartenshoek

De Molensloot bij Foxhol

 

De naamverklaring van Kropswolde

“In bocca al lupo”  “Crepi il lupo.” 

Z_Lupa-RomanaOp wikipedia vinden we de volgende verklaring: ‘Er is over gespeculeerd of de naam Kropswolde afkomstig zou zijn van Cruptorix. Men verwijst dan naar de Annalen van Tacitus(Lib.IV.73) waar een villa genaamd Cruptoricis (= ‘van Cruptorix’) wordt vermeld die ergens in Noord-Nederland gevonden kan worden en naar de Oostfriese geschiedschrijver Eggerik Beninga die eveneens een landhoeve noemt toebehorend aan ene Cruptorix. Anderen verklaren de naam uit het Oud-Nederlandse en Saksische ‘krop’, dat verhoging in het landschap betekent (zie ook Kropp, Kroppach, Kroppenstedt).’

In het boek Kropswolde Wolfsbarge 2014 is deze verklaring ook nagenoeg woordelijk terug te vinden. Maar waar is dan, Crepis. Kreps en Crepes, in dit verhaal? Die vraag vinden we ook al in de ‘Navorscher’ van JACOBUS ANSPACH uit 1886.

“Kropswolde; Dit Groningsch dorp heette, volg. A. J. v. der Aa, Aardr. Wdbk, voormaals Crepis, Kreps-, Crepeswald of Het Woud van Kreps. Waarvoor houdt men dit Kreps ?

Met die vraag naar Crepis komen we uit op de familienaam van het geslacht streepzaad. En daar kunnen we lezen dat Crepis verwijst naar de vorm van de bladeren, en de naam afkomstig is uit het oude Rome. Crepis verwijst in de oudste betekenis dan naar zolen of wel sandalen waar de bladeren van deze plant veel op gelijken. In het Vlaams is Crepis nu nog in gebruik al benaming voor gevelpleister. Kortom zoals een zool een beschermende laag is bij het lopen, is dat bij muren de stuklaag. Hoe wij in een bos een dergelijk beschermende buffer moeten zien is dan weer wat lastig. De verklaring die ik nu zal geven is dan ook weer een discussie vraag. Het bos in Kropswolde was gelegen op een smalle zanduitloper. Een verklaren is dan dat dit bos tussen de in cultuur gebrachte gronden en het woeste hoogveen, opgevat kan worden als een ‘beschermende’ buffer; het Crepis-bos. In de Italiaanse les komen we nog een betekenis tegen: “IN BOCCA AL LUPO”  Wanneer een Italiaan iemand heel veel succes toewenst roept ie “In bocca al lupo”. Letterlijk vertaald “in de bek van de wolf”. Bij navraag bij diverse Italiaanse vrienden blijkt dat ze vaak zelf niet eens de betekenis en herkomst van deze uitdrukking weten. Een versie van de herkomst leidt terug tot de Romeinse tijd waarin volgens een legende een wolvin met haar bek een tweeling uit het water redde. Deze tweeling Romulus & Remus zouden later de stad Rome hebben gesticht.” Op Bacca al lupo zal je alleen mogen antwoorden met “Crepi (il lupo.”  Crepi is ook Creperen, maar in deze ‘Crepi’ il lupo, is juist het beschermen, het laagje tussen voet en grond de zool, of wel de sandaal van toepassing en ze is gelijk aan de beschermende werking van Crepi (pleisterlaag) op steen-muren tegen weersinvloeden. (P. Weiland Kunstwoordenboek (1858) Crepi(e):van pleisterkalk, op eenen muur, het bestrijksel, waarmede een muur overdekt wordt, eer hij beschilderd kan worden Wat deze uitleg, Crepi als bescherming, versterkt is dat crepusc uit crepusc-ularia  in vertaling de, twilight-zone is. Crepuscularia is. Hier is beschermlaag dan te begrijpen als het grensgebied tussen twee werelden. De betekenis van deze grens is specifiek de scheidingsruimte tussen de ons vertrouwde wereld en de ons onbekende. Bij Lemaire in zijn filosofie van het landschap vinden we dan dat de verhoudingen tussen ‘natuur’ en ‘cultuur’ pas in de late middeleeuwen een andere zal worden. Voorheen was de grens tussen ‘natuur’, de gevaarlijke wereld, en de vertrouwde, de ongevaarlijke wereld, ‘cultuur’ sterk aanwezig. Het smalle bos dat hier langs het onbekende woeste veen te vinden was zal dan in de oudste betekenis, van de Romeinen en in vertaling, het beschermende bos zijn. Als we dan weer even terug gaan naar de betekenis van krop, is de vraag waarom krop ‘sla’ hier als verklaring voor Krop(s)’wolde’ achterwegen blijft. Terwijl de vele bladeren van de sla krop nu juist iets lijken te beschermen: Crepis. Bij het afpellen van deze laagjes vinden we niets wat naar ons besef, in de ons bekende wereld, bescherming nodig had, of sla beschermt iets met haar in laagjes stijf op elkaar gegroeide bladeren wat wij niet kunnen zien of begrijpen. En zo komen we uit op een oude (voor christelijke) sage, bij de gekscherende antwoorden op de vraag: Waar komen kinderen vandaan? Uit de kool of sla. De verklaring is dat we bij deze plaatsen of planten de ingang vinden naar die andere wereld. Sla is al vanaf de Egyptenaren tot bij de Romeinen een van de eetbare gewassen. Daarbij is in dit geval het ook een symbolische weergave van de moederschoot. We worden geboren uit de buik van onze moeder, maar tegelijkertijd ook uit de schoot van moeder aarde. Crepi is dan ook wel in gebruik als benaming voor zaden of graan.
De daar weer aan verbonden betekenis van Crepi is oogst, “De krop is binnen”, de vreugde daarover is dan dat we ‘beschermt’ zijn tegen de honger en dat we de onderwereld of wel die andere wereld daar dankbaar voor zijn.  In de meeste culturen gaan de mensen dan ook het een en ander offeren uit dank, of voor de oogst aan, bij het inzaaien, als gift. Dat het Kropswolde op een ‘zand hoogte’, ook wel krop, hier in die betekenis, te vinden is is natuurlijk een feit en ook de juiste verklaring, omdat natuurlijke hoogtes mensen ‘bescherming’ bieden. Alleen is hier de nuance in de betekenis van Krop dat het bij Crepi
niet alleen gaat om bescherming maar om dat wat ons bescherming geeft tussen twee werelden, het crepi-s-wald.

duimpjeklein
Kortom ik zou de vraag van A. J. v. der Aa willen
beantwoorden met: Crepi Crepis, Kreps, Crepes Kreps. krops, tot krop, = beschermingSpecifiek is hier aangegeven het laagje waarmee en waardoor -en als, begrensde plaats waardoor of waarop wij beschermt zijn; tegen: Invloeden van buiten af uit een wereld waar we wel weet van hebben maar waarvan we niet weten hoe ze werkt; denk aan weersomstandigheden, of wel de natuur in zijn algemeen, als soms goed soms kwaad. Crepi is dan de grens tussen de wereld die bij een slechte oogst honger kan veroorzaken, en bij goede oogst ,krop, ons ook weet te beschermen. Aannemelijk is nu dat de vroegste naamgeving van dit gebied haast wel zeker stamt uit de tijd van die Cruptorix,
en allen dat.
Ik kan me voorstellen dat met de opkomst van de wetenschappen deze dubbele werelden zijn verdwenen en van de betekenis Crepis dan alleen de negatieve betekenis is overgebleven. Zo ook de woorden die we later weer via andere talen leende. Cryp-tic, ondoorgrondelijk, geheimzinnig “een cryptische omschrijving “Synoniemen: raadselachtig, diffuus, duister, enigmatisch, geheimzinnig, mysterieus, schimmig, sfinxachtig, mystiek. Engels Spaans, Crypi, griezelig. Maar ook crap, oorspronkelijk,
kaf van het koren scheiden, de ‘beschermende’ vliezen om graankorrels, degene die ze eraf haalt, meestal met dorsvlegels, de Crepper, later was Crepper een merknaam voor W.C potten van meneer Crepper en ontstaat pas de associatie met uitwerpselen. Crep in negatieve zin – onzin. ideeën die behoren tot de criyptic mystieke wereld waarvan we het bestaan wensen te ontkennen. Cremeren – verbranden van lijken, verbranding zelf is de Crepis tussen beide werelden.

Uit de de Annalen van Tacitus. De opstand van de Friezen in het jaar 28.  

4.73.4. Mox compertum a transfugis nongentos Romanorum apud lucum quem Baduhennae vocant pugna in posterum extracta confectos, et aliam quadringentorum manum occupata Cruptorigis quondam stipendiari villa, postquam proditio metuebatur, mutuis ictibus procubuisse.
 
In de Vertaling van Ben Bijnsdorp

 4.73.4. Naderhand is men van overlopers te weten gekomen dat 900 Romeinen afgemaakt zijn in het zogenoemde Baduhenna-woud nadat zij de strijd tot de volgende dag hadden weten te rekken, en dat een andere afdeling van 400 eerst de villa bezet hadden van Cruptorix, die ooit als soldaat gediend had, en elkaar neergestoken hadden toen men verraad vreesde.

Houtzaagmolen  DE GOEDE HOOP Foxhol

Foxhol molen

 

De molen is vermoedelijk in 1738 gebouwd. Rond 1800 is de molen dan in eigendom bij Arend van Olst.

 

 

molen foxhol te koop

In 1829 wordt uit handen van H. G. Maathuis Roelf Barteld van Leggelo de nieuwe eigenaar van de molen.(overleden 10 juli 1849, hij was toen slechts 49 jaar) Was gehuwd met Gerharda Post en kregen vier kinderen.Waarvan  Johannes Post van Leggelo (1834-1915) dan zijn opvolger is. Joh.Post van Leggelo zoekt zijn geluk ook in de handel. Zo koopt hij in 1896 de driemastschoener “Jan Derk” voor ƒ14565 die van Laguna te Hamburg aan gekomen wasEen jaar later verkoopt hij het bevaren schip, die hij dan omdoopte tot de “Foxham” aan de firma Duinker & Goedkoop te Amsterdam, een firma die op een veel grotere schaal in de handel in schepen verkeerde. Het schip zou in 1883 gebouwd zijn bij scheepsbouwer Niestern en Te Velde in Martenshoek. Dit door Duinker & Goedkoop
aangekochte schip de ‘Foxham’ is door hen hetzelfde jaar alweer herdoopt in ‘Voorspoed’.
Het schip is dan voor kapitein K.W. de Grooth die voorheen op de Eendracht kapitein was. Uit een een ander bericht in de krant van 1887 kunnen we dan opmaken dat de Eendracht van de Grooth in dat jaar vergaan was. Hoe het de ‘Voorspoed’ verder vergaan is is zover niet in de kranten uit die dagen terug te vinden.

download (6)

11-03-1902

In maart 1902 is de molen met houtloods afgebrand. Als ambassadeur van de ANWB plaatst Roelf Post van Leggelo, aldus de Kapioen in 1899, de eerste wegwijzers in het dorp. Hij is zal na Johannes, ook de derde generatie in de houtzagerij Post van Leggelo zijn.

Post van Leggelo
Na de brand gaat R. Post van Leggelo door als stoomhoutzagerij. Hiertoe komt er een nieuw groot pand, nu geheel van steen, nagenoeg op de plaats van de oude molen.
Van links naar rechts staan op de bovenste foto uit de jaren dertig van de vorige eeuw, Beren Tuizenga, R. Post van Leggelo, en de heer Rodenhuis. (vermoedelijk is de foto genomen bij zijn stoomzagerij te Foxhol) Vervolgens zijn de inschrijvingen bij de kamer van koophandel vanaf 1921 dan als de “Houthandel en houtzagerij” met een adres te Foxham van R. Post van Leggelo. Hij is dan samen ingeschreven met de NV Houthandel R. Penon die loopt tot 1931. Daarna als de BV Houtunie van R. Post van Leggelo, R. Penon en G.van Calcar tot 1985. In 1939 werd het bedrijf van Schrage en Van der Goot ook in de nieuwe N.V. opgenomen. R. Post van Leggelo zal zich tot de jaren zestig dan noch voornamelijk met de administratie bezig houden. Na die jaren komt zijn naam te Foxham niet meer voor in de advertenties van de B.V Houtunie. De zagerij te Foxhol is vanaf 1942 dan al in handen van het scheeps-timmerbedrijf van de broers Heller, nu jachtbouw en scheepsbetimmering van Jeroen de Groot.

download (1)

000_1175
——-

 

 

SCHEEPSWERVEN

scheepswerven

 

 

SCHEEPSWERVEN FOXHOL

Scheepswerf FIKKERS

Fikkers Foxhol

De scheepswerven van Fikkers ontstonden rond 1870 in Muntendam. Als de scheeps bouwers dan in 1916 Scheepswerf Wynandus kopen Komt er ook een  Fikkerswerf naar Hoogezand. in 1924 heet die werf Bernard Fikkers Scheepswerf N.V. Martenshoek. Maar die van Th. J. Fikkers zat er later in 1923 ook.Vanaf 1923 noemen de werven zich voor het gemak dan de Gebr. Fikkers, Nieuwbouw en Reparatiewerven, Martenshoek. Om het nog wat ingewikkelder te maken spreekt het NvhN bij de oplevering van de scheepsheling in 1923, over de werf van Fikkers onder Foxham, wat aan de andere kant van het water natuurlijk gewoon Foxhol heet. Na het ontstaan van de werf heet het dan officieel; Th. J. Fikkers Foxhol. Maar welke schepen waar van de heling kwamen zorgt nu altijd nog wat tot de nodige verwarring.

* NvhN 05-06-1923: ‘MARTENSHOEK, 2 Juni De firma geb. Fikkers alhier heeft onder Foxham eene groote dwarshelling aangelegd met negen sporen, waarop 9 wagens voor het ophalen van alle mogelijke schepen. Het geheel wordt gedreven door een electrischen  motor van 35 Pk. Tegelijk kunnen 4 schepen naast en 2 voor elkaar of acht schepen op de helling geplaatst worden. iedere wagen heeft een aparte lier, die ook afzonderlijk in en uit het werk gezet kan worden. De diepte van het water op de wagens is 3 M. Hiertoe was noodig dat de weg van Martenshoek naar Foxhol verlegd en een geheele nieuwe uitgegraven kolk gemaakt werd. Aan deze dwarshelling wordt verbonden reparatie-inrichting voor eventuele reparatiên aan machines en motoren. Verschillende schippers maakten reeds’ van deze nieuwe inrichting gebruik’

Scheepswerf-Fikkers-in-Foxhol

In 1973 komt er een einde aan de Fikkers werf en komt de gehele bedrijfs-inventaris onder de hamer in hotel Faber te Hoogezand. Deze sluiting was in korte tijd de derde werf die door de weinig florissante situatie in de scheepsbouw de poort dicht moest doen. Eerder moesten de Gebr. Muller te Foxhol de werf al sluiten samen met G.J. van der Werf in Westerbroek. Droevig feit is dat de scheepsbouw familie Fikkers in dit jaar haar 100 jarig bestaan zou vieren.

Scheepswerf VOORWAARTS.

Scheepswerf Voorwaarts

Na de aanleg van de nieuwe Woldweg in 1958, tussen de werven Voorwaarts en de Fikkers werf Foxhol in, komt deze werf officieel op het industrietrein Martenshoek te liggen, en heet dan Voorwaarts Martenshoek. De stichter van de werf is Luurt A. Hijlkema (1824-1882) en was voorheen scheeps-timmermanskecht bij Geert Joostens Bodewes. In 1856 koopt hij te “Foxhol onder Kropswolde” een strook land langs het Winschoterdiep, voor f. 400,00 van Jan H. Reinders, Kastelein en stelmaker te Foxhol. Vervolgens heeft hij de werf weer verkocht aan Scheepswerf Gebr. G. en H. Bodewes. Everhardus J. Hijlkema  (1862-1947) de zoon van Luurt A. Hijlkema, was de scheepstimmerman en werfbaas bij de Gebr. G. en H. Bodewes. Zijn zoon Engbert J.H. Hijlkema (1902-1961) koopt in 1932 de werf dan terg en geeft hem de naam Voorwaarts. Na 1961 nemen zonen Everhardus J. Hijlkema en Johannes G. Hijlkema de werf van hun vader over. Johannes G. Hijlkema zette de werf voort tot aan ongeveer 1985 waarop het faillissement viel. Het werfterrein is daarna over gegaan naar carrosseriebedrijf Groenewold.

Voorwaarts Martenshoek.)

Scheepswerf W. J. PATTJE

W Pattje Foxhol 1852

Even ten oosten van de watermolen van het waterschap Kropswolde aan het einde van de molensloot, koopt Wicher Johanes Pattje in 1840 een huis met weideland waar hij dan begint met de bouw van Schoeners en Tjalken. In 1856 komt Tussen hem en de molen de werf van Luurt A. Hijlkema (Voorwaarts) te liggen. In vroege kranten berichten is hij te vinden als W Pattje Foxhol. Later krijgen de werven op deze locatie tot aan de nieuwe Woldweg het postadres Martenshoek. De werf van Fikkers net over de Woldweg richting de stad het postadres Foxhol. Rond 1920 komt de werf kort in handen van Jan Luut Doornbosch die de werf omdoopt tot “De Vlijt”. Daarna gaat deze werflocatie naar van Diepen, die hem in 1940 weer verkoopt aan Jac Bodewes met later zijn zoon Henk Bodewes als zijn opvolger. Rond 1985 is de werf in gebruik als nevenvestiging van de werf Ferus Smit. Nu is hier Coops en Nieborg te vinden.
Het vermoeden is dat op deze locatie voor 1800 al een scheepstimmerwerf was van Jurjen Clasens Roskam en Claas Jurriens Roskam, die in 1806 een werf te Foxhol in de Groninger Courant te koop zet. In de periode tot 1840 is Harm Wichers Pattje uit Foxhol al korte tijd eigenaar van de werf. Er zijn ook mensen die het vermoeden hebben dat de werf eerder op de latere locatie van de scheepswerf Fikkers lag en al op een oude prent van Foxhol met schaatspret voorkomt.

Foxhol tilhek.

Pattje Foxhol

 

SCHEEPSWERVEN FOXHOLSTERBOSCH

Scheepswerf BIJLHOLT

Gerardes Ottens Bijlholt (1810-1853)  Hij koopt naast de W.A Scholtenfabriek richting stad in 1848 een stuk grond aan het dan zo geheten Hoofddiep naar Groningen, het latere Winschoterdiep. De strook grond tussen het, zo rond midden zeventiende eeuw nieuw gegraven kanaal vanaf Foxhol naar Waterhuizen blijkt zeer geschikt voor scheepsbouw. Later volgen hier meerdere werven die er tot aan vandaag te vinden zijn. Na zijn overlijden komt de werf vanaf 1853 in verhuur bij Johannes Bernardes Uil. Daarna blaast de zoon van Gerardes Bijlholt de werf rond 1860 weer nieuw leven in. Vervolgens zullen de zonen van Albertus Josephus Bijlholt de leiding op de werf overnemen. In 1983 is de Scheepswerf Bijlholt BV  Foxhol per 1 januari overgenomen door Damen Shipyards uit Gorinchem en is dan een dochterbedrijf van de Damen Groep. Na 1969 verplaatste de werf zich tweemaal op dezelfde strook grond, die tussen het Foxholstermeer en het Winschoterdiep ligt. De huidige locatie van de voormalige werf is te vinden achter de scheepswerf De Hoop op het huidige AVEBE-terrein en sinds 1969 niet meer als werflocatie in gebruik.

NvhN 1969: Werf Bijlholt wordt verplaatst. Het totale bedrijf van de NV Scheepswerf Bijlholt te Foxhol wordt op korte termijn verplaatst naar het terrein van de voormalige werf van de NV Foxhol, (Gebr. Muller. Red) welk bedrijf het vorig jaar door Bijlholt is aangekocht, omdat het huidige werfterrein geen uitbreidingsmogelijkheden meer bood. Het nieuwe terrein is aanmerkelijk groter. Op het nieuwe terrein zal Bijlholt als eerste een motortankschip van circa 2100 ton met de afmetingen 100 x 9.50 x 3,30 m bouwen. Dit schip is het langste, dat tot dusver aan het Winschoterdiep gebouwd werd. Het zal worden uitgerust met een 1200 P.K. MAK motor. De verplaatsing, herinrichting en uitbreiding van de productiecapaciteit biedt de NV Bijlholt. direct na gereedkoming van de verbreding der kunstwerken in het Winschoterdiep tot een doorvaartwijdte van 16 meter, de mogelijkheid te voldoen aan aanvragen op de bouw van schepen tot deze breedte. Het huidige werfterrein van de NV Bijlholt bood deze mogelijkheid niet.’

Foxhol 1851

Bijlholt

 

Machine en lierenfabriek H. E. BODEWES FOXHOL

Naast de lierenfabriek van H. E. Bodewes uit 1894 lag aan de westkant de scheepswerf van de gebroeders Bodewes, de”Volharding” (nu scheepswerf De Hoop Foxhol) opgericht in 1919. Aan de oostkant lag de werf van Bijlholt, met daar weer naast W.A.Scholten Foxhol.

H. E. Bodewes Foxhol. jpg

In 1938 koopt hij de  fabriekshal van de voormalige machinefabriek Fulton aan de Werfkade in Martenshoek. Uit advertenties tot zo rond 1948 blijkt dat zowel Fulton in Martenshoek en de fabriek in het Foxholsterbosch een firma vormen. Rond die jaren zouden de werkzaamheden in de oude fabriek in zijn geheel verplaatst zijn naar Martenshoek. In 1966 zal de machine-en tandwielfabriek S. ten Horn uit Veendam de fabriek van Bodewes overnemen en de productie van lieren voortzetten.
De zogenaamde anker en tuiglieren zijn vanaf 1900 op bijna al de schepen voorradig en een onmisbaar instrument geworden.  Daarnaast produceert hij ook stalen molenwerken voor wind en zaag molens, pons en knipmachines, spanten buigers, ijzeren overkappingen en bruggen tot brooddeeg en haksel machines.
Voorheen was op de locatie van deze lierenfabriek de scheepswerf van Johannes Jans Veenema gelegen. Na tien jaar, zo rond 1866 verkoopt hij de werf aan Bodewes om op zijn nieuwe werf in Martenshoek verder te gaan.

lieren voor de lierenfabriek van Bodewes Foxhol

Scheepswerf VOLHARDING

Volharding

NvhN 1919: ‘FOXHOL, 20 Oct. Van de nieuwe scheepswerf „Volharding” der firma Gebr. Bodewes alhier werd met goed gevolg te water gelaten een nieuw stalen bolschip groot pl.m. 52′ ton. Dit eerste alhier gebouwde vaartuig is voor rekening der Coöp. Strokartonfabriek De Dollard te Nieuweschans. Eenzelfde vaartuig wordt voor eigen rekening weder op stapel gezet.’

Op deze werflocatie begint Jan Hendriks Meijer even na 1850 zijn scheepstimmerwerf.
Na zijn overlijden koopt Gerardes Josephus Bodewes de werf. Het eerste schip die deze Bodewes hier van de werf te water laat is de galjoot “Treintje” van 92 ton. Het schip is voor kapitein Egberts uit Sappemeer. In verhouding een gemiddeld schip van dit scheepstype.
Het zal hier dan gaan om een van de Groningse galjoten gebouwd met het voorschip van een schoener en een slanker achterschip. De Galjoot was in de 17 eeuw al in gebruik als kustvaarder bij de Vereenigde Oost-Indische Compagnie. Met een vergelijkbaar schip zou Lammert Berents in 1789 naar Spitsbergen zijn gevaren waar zijn vrouw hem in 1793 een Dochter schonk. Margareth is later gedoopt te Kleinemeer. Lammert Berents is op 26-07-1809, te Sappemeer  overleden, 56 jaar. Tussen 1850 en 1860 was gezien de aantallen , zo rond de 130, galjoten die van de werven langs het Winschoterdiep afgleden, sprake van een snelle opkomst en vraag naar dit Groninger type schip.
Het eerste schip die bij Bodewes Volharding op deze locatie in 1919 gebouwd is is aanzienlijk lichter, maar dan al wel van staal. Ook dit is een typisch Gronings schip, het zogenaamde Groninger bolschip, gebruikt voor het vervoer van turf, stro, mest en aardappelen op de ondiepe kanalen van de Groninger Veenkoloniën. De meeste van deze schepen hadden geen motor waarvoor de schipper in het gunstigste geval gebruik kon maken van zogenaamde opduwers, kleine scheepjes met enkel een zware motor. Met gunstige wind was zijlen een uitkomst of anders het gebruik van paardenkracht. Wat ook voor kwam was vrouw en kinderen er voor spannen.
Sinds 2006 is de werflocatie door scheepsbouwer De Hoop, met een tweede grotere werf in Lobtith, gekocht van Bodewes. De Hoop is al een oude werf die in 2015 haar 125 jarig bestaan vierde.Vanaf het prille begin heeft deze werf zich gericht op het ontwerp en de bouw van speciale en specialistische schepen, voor zowel de binnenvaart als op zee.

wwwopac
.

Scheepswerf HOOITES 

Ipe Annes Hooites komt uit een scheepsbouwers familie. Als hij noch maar net in de twintig is laat hij zijn eerste onder zijn leiding gebouwde schip op de scheepswerf van zijn vader te water. Er zullen er nog veel volgen. Rond 1850 sticht hij naast de latere werf van Bodewes Volharding een tweede werf op het Foxholsterbosch. Een voor die dagen moderne werf met eigen houtzaagmolen en smederij. Deze alles onder een dak formule, bracht dat hij met een gelijk aantal werklieden de schepen geheel in eigen beheer kon afbouwen. Zelf hield hij een aandeel in de door hem gebouwde schepen waardoor het hem ook voor de wind ging. Zo was hij niet alleen scheepsbouwer maar ook wat we een rederij noemen. De blauwe Hooites vlag, met daarop een vijfhoekige witte ster zal rond 1880 op dertig van zijn zeeschepen wapperen. Daarmee behoorde Hooites tot één van de vijf grootste rederijen in Nederland.
In die dagen was Foxhol met de succesvolle Hooites en de andere werven, samen met W.A Scholten zijn fabriek “Eureka” allen op een smalle strook grond langs het Winschoterdep het toonbeeld van industriële vooruitgang. Feitelijk was de rechtlijnige aanpak van de vervening, die begin zestienhonderd in Foxhol en Martenshoek hun aanvang hadden, dat ook al. Hooites kocht een van de statige herenhuizen die er toen al aan het kanaal door Hoogezand stonden en waarvan de tuin en landerijen strekte tot aan Kolham. Op deze plaats woonde voorheen een nazaat van de vroege veenondernemer Adriaan Trip, die hier in 1640 begonnen was en waar Tripscompagnie zijn naam aan dankt. In 1857 liet Hooites het pand van Adriaan Trip, Meint Veningastraat 115, uit 1777 te Hoogezand grondig verbouwen. (Rijksmonument No. 515887) Van 1866 tot 1875 was Hooites naast scheepsbouwer burgemeester van Hoogezand.

Hoogezand_-_Rijksmonument_515887

Scheepswerf DE VOORUITGANG

Zeemeeuw Foxhol

Na het overlijden van Hooites  in 1891 is het tot 1924 niet duidelijk wat er op deze werflocatie gebeurde. Waarschijnlijk bleef de werf leeg achter tot de nieuwe scheepsbouw in ijzer opkwam. Leonardes Mulder en Jan Suurmeijer stortte zich op de nieuwe uitdaging en begonnen in 1924 op de oude werflocatie van Hooites een moderne werf in ijzerbouw. Vanaf 1940 doopte de zonen van Suurmeijer de werf om tot “De Vooruitgang” Na 1980 kwam Bijlholt, die al sinds 1848 in het Foxholsterbosch actief was, van zijn naastgelegen werflocatie naar deze locatie. In 1983 is Bijlholt overgenomen door Damen Shipyards uit Gorinchem. Damen koopt dan ook de naastgelegen werf waar Bijlholt eerst te vinden was. Op deze locatie was Muller in 1910 met zijn scheepswerf begonnen. Nu is Shipyard Construction Hoogezand op deze twee oude werflocaties actief.

Scheepswerf “FOXHOL” Geb. Muller.

Foxhol Muller

Hendriekes (Rieks) Muller sticht in 1910 samen met zijn twee jaar jongere broer Andreas een scheepswerf naast de toenmalige werf van Hooites. Vanaf 1928 heet de werf N.V. Scheepswerf ‘Foxhol’ en is dan van Rieks Muller & Johannes Broërken.
In 1917 komt hier de driemastmotorschoener “Vlissingen” voor de Zeevaart Maatsschapij Groningen van de heling. De geschiedenis van de meeste schepen die de werven langs het Winschoterdiep bouwde zijn vanaf 1900 goed te volgen.(Hier) Als voorbeeld  is deze schoener in 1927 door de Gdansk-werf omgebouwd tot training zeilschip voor de Poolse Marine.Vervolgens in 1928 tijdens zwaar weer in het Engels Kanaal aangevaren door het Noorse s.s. “Grey County”. De “Iskra” zoals ze dan heet kon drijvend worden gehouden en werd door een sleepboot naar Hull gebracht .In 1932 kreeg het schip nieuwe hoofdmotoren en zal in 1939 wegens het uitbreken van de WO II vertrekken naar Gibraltar en daar door de Engelse Marine in gebruik gesteld worden als accommodatieschip voor torpedomakers. In 1947 gaat de “Iskra” naar het Poolse Gouvernement om gebruikt te worden als training zeilschip bij de Poolse Marine. En uiteindelijk In 1978 gesloopt.

De werf bouwde in 1917 twee van deze zeilschepen en in 1919 waren er alweer drie klaar.  Met een van de schepen ging het al snel mis, zo blijkt uit de NRC van 1919: “Men meldt ons uit Cherbourg dat de Nederlandse driemastschoener ‘Bosco’, onder commando van kapitein Leentjes, schipbreuk heeft geleden nabij Kaap Nez de Jobourg, ten zuiden van kaap Le Hague. De sleepboot ‘Centauer’, behorende tot de sleepbootdienst van de haven van Cherbourg, trachtte onmiddelijk hulp te verlenen en slaagde er in, vier opvarenden te redden. Deze werden aan wal gebracht en ontvingen te St.Germaison des Vaux de eerste verzorging. Zeven leden van de bemanning, o.w. de kapitein, zijn verdronken. De ‘Bosco’ was op weg van Rotterdam naar Jersey, komende van IJmuiden met een lading fosfaat. De ‘Bosco’ is een nieuw driemastmotorschoenerschip. Het werd gebouwd op de werf van Gebr. Mulder, te Foxhol en is 775 m3 netto groot. Het vaartuig, dat voorzien is van een Kromhoutmotor van 130 Pk, behoort aan de N.V. Nederlandse Handelsvracht Mij. te Rotterdam. Op 5 october aanvaarde de ‘Bosco’ haar eerste reis en wel van Delfzijl naar Kemi. (Finland)”

 

Scheepswerf SMIT

6590_RUsD4DJ6XejVJtxQ5A1l

Naast de werf van Muller was in 1837 de scheepswerf van Johannes Gerhardus Smit gelegen. Daarna ook als scheepswerf J. Smit en zonen en heet nu Ferus Smit Westerbroek. Smit bouwde in 1920 de 4 mast motorschoener TJERK HIDDES voor de Nederlandsche Handels en Vrachtvaart Maatschappij in Rotterdam. * De Telegraaf 01-07-1920: Delfzijl 1 Juli. Heden is van hier vertrokken het nieuwe viermastmotorschoenerschip „TJERK HIDDES”. Dit schip is gebouwd op de werf van Gebr. Smit te Westerbroek en heeft een laadvermogen van 1042 ton. De motor, een Kromhout van 180 I.P.K., is geleverd door den heer Goedkoop te Amsterdam. Het wordt bevaren door kapitein Jonker te Groningen, vaart onder Nederlandsche vlag, behoort thuis te Rotterdam en gaat van hier in ballast naar Gefle (Zweden). Het schip is rond 1980 voor het laats in Angola in gebruik geweest en daarna van de radar verdwenen. Thans heet de werf Ferus Smit B.V Westerbroek. Maar zit nog steeds op dezelfde werflocatie als voorheen van Smit en zoon Foxhol en heeft nu een tweede werf in Leer, Duitsland. Bij Scheepswerf Ferus Smit ging in 2012 de “Vikingbank” te water en is het tot dan toe grootste aan het Winschoterdiep gebouwde schip, waarmee de Groningse werf geschiedenis schreef.

download

a2516df8

Scheepssloperij. SIMETAS (Vanaf 1985 overgegaan in Berger Recycling B.V.(onder constructie)

W.A. SCHOLTEN FOXHOL “Eureka”

W.A. Scholten Foxhol.

W.A.Scholten Foxhol

Na het afbranden van zijn aardappelmeelfabriek in Warnsveld stichtte hij in 1841 een gelijksoortige grotere fabriek in Foxhol, die in januari 1842 in bedrijf werd genomen. W.A Scholten (1819 – 1892) was de eerste industriële multinational van Nederland. Na zijn succesvolle fabriek in Foxhol opende hij een aardappelmeelstroop fabriek te Hoogezand, een aardappelmoutwijn branderij te Sappemeer, en een aardappelmeelstroop en sago fabriek te Zuidbroek.  Daarna kwamen er ook fabrieken in Duitsland, Oostenrijk, Hongarije en Rusland. W.A. Scholten zette zo in totaal eenentwintig fabrieken op, waarvan tien buiten Nederland. Foxhol werd door hem gekozen omdat hier goede waterwegen waren, schoon water uit het naast de fabriek gelegen meer en natuurlijk voldoende aanvoer aan aardappels door het Winschoterdiep uit Drenthe en de Groninger veenkoloniën. En waar ook noch eens de brandstof turf praktisch voor de deur voor het oprapen lag.
Ook in Foxhol blijft Scholten experimenteren om alles uit de aardappel te halen maar ook voor de gewassen op het veld omhoog komen. Zo blijkt uit een advertentie die hij in 1842, als hij zijn fabriek net opende, plaatst voor Gips als meststof. Hij noemt zich dan Verffabrikant te Foxhol.

scholten(10)

De Volksvriend 1887: ‘Men schrijft uit Hoogezand: Dat het hier uit weide omstreken tegenwoordig met de aardappelen druk gaat, kan uit het volgende blijken. Donderdagmiddag lagen bij en om de fabriek te Foxhol van den heer W. A. Scholten niet minder dan vierenveertig schepen, allen vol geladen met aardappelen, welke beurtelings moeten worden gelost, waaronder zelfs eenigen uit Friesland met kleiaardappelen.’

Jan Evert (Johan) Scholten, geboren in Foxhol, is vanaf 1890 na het overlijden van zijn vader de nieuwe directeur van de Scholtens fabrieken. De veengronden die door zijn vader aangekocht waren exploiteerde hij via de N.V. Turfstrooiselfabriek en Veenderij Klazienaveen die hij in 1889 stichtte. Vervolgens richtte hij in 1896 de Noord Nederlandsche Beetwortel Suikerfabriek in Hoogkerk op en liet in 1898 een strokarton fabriek in Hoogezand bouwen. Het jaar daarop kwam er ook nog een turfkarton fabriek in Klazienaveen bij. In de periode 1902-1910 zit hij voor de liberalen in de Eerste Kamer.
Daarvoor wij hij van 1879 tot 1882 al eens lid van de Groninger gemeenteraad waar hij mede initiatief nemer was voor de aanleg van het stadspark en daarvoor belangeloos de grond beschikbaar stelde. Dat hij in Foxhol geboren was en dan Groninger, en daar ook trots op was, blijkt wel uit het door hem opgerichte theater de Grunneger Sproak.
Niet alleen met zijn nieuwe fabrieken en architectonische hoogstandjes maar ook in maatschappelijk opzicht was het noorden door hem weer een stuk rijker geworden.
Een van de persoonlijke wensen van zijn zoon was het om het station van Kropswolde waar het dorp aan grenst te verbeteren. Omdat bij de toenmalige overheden de noodzaak hiervoor ontbrak financierde hij de bouw deels uit eigen zak. Willem Albert II (1871-1932) had in 1900 al de leiding over een deel van de fabrieken van zijn vader overgenomen. Waaronder die in Foxhol en de overige aardappelmeel-en suikerfabrieken. Zijn schoonzoon Hermannus Ellens Oving (1868-1939), kreeg de leiding over de strokartonfabrieken en turfstrooisel fabriek. Zijn jongste zoon Johan Bernhard (1882-1966), was ongehuwd en kinderloos en liet een legaat van acht miljoen gulden na voor de oprichting van het J.B. Scholenfonds.

020c-stoomlocomotieven

Ondertussen waren er door de lage aardappelprijzen en de regelmatige slechte oogsten coöperatieve
aardappelmeelfabrieken ontstaan die onder de naam AVEBE  in 1905 al bijna de helft van alle aardappelen verwerkte. De Scholte fabrieken richtte zich nu meer op nieuwe vindingen waardoor de AVEBE in eerste instantie meer de toeleverancier van de grondstof bleef. Een van de nieuwe producten was een vloeibaar plakmiddel. Dit leidde in 1920 tot de oprichting van W.A. Scholten Chemische Fabrieken Foxhol. Na een samengaan met aardappelmeelfabriek N.V. Meihuizen Boon te Veendam in, 1930 komt de leiding van de fabrieken voor het eerst in handen van niet familieleden. In 1947 werd in Foxhol dan ook de bekende Brinta geproduceerd op basis van graan.
Verantwoordelijk voor de nieuwe groei van de fabriek was Gerrit Frederik Dalenoord (1897) Hij begon zijn loopbaan in 1930 bij Scholten’s Chemie. In 1956 werd hij directeur van het Scholten concern tot 1964. Onder zijn bewind had het bedrijf de omzet verdrievoudigd.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog had Dalenoord, naast onderduikers, de gedropte illegale zender ‘Luctor et emergo’ in huis. Hij overleed in augustus 1971 op 73 jarige leeftijd in zijn woonplaats Haren.

 

W. A. SCHOLTEN-SCHOOL

De grondwet van 1848 : Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het één en ander door de wet te regelen.

Vanaf 1628, als de huizen nog onder de regels van de pachtovereenkomsten met de stad vallen, is een van die regels, dat van elk huis jaarlijks 1 Gulden gegeven moeten worden voor het onderhoud van de schoolmeester. De eerste die we, zo rond 1650, van naam kennen is Arent Hermans die door de stad afgezet is wegens het houden van een herberg, hetgeen niet te rijmen viel met de goede opvoeding van de jeugd. Zedelijkheid was in die dagen dus ook een van de voorwaarde voor goed onderwijs, zedelijkheid uit christelijk
perspectief. Met de wet uit 1848 is de vrijheid binnen het kader van deugdelijkheidseisen het voor iedereen vrij een eigen school te stichten. Daarmee was voor een groot deel de schoolstrijd beëindigd. In de wet van 1808 was het zogenaamde “openbaar” aan het onderwijs, dat alle scholen uit moesten gaan van een algemeen christendom los van enige geloofsrichting. Met de nieuwe wet was nu ook het bijzonder onderwijs toegestaan.
Voorheen waren die er ook al en in 1595 zelfs met de verplichting dat er in ieder kerspel minimaal een schoolmeester moest zijn. Wat er met de wet dus bij kwam was het ‘vrij’ of wel ‘openbaar onderwijs’.

download (1)
Rond 1800 telt de school 50 leerlingen, meestal alleen ’s winters. Het kinderwetje van van Houten uit 1874 bracht daar maar deels verandering in. Met de invoering van de leerplicht in 1901 moesten kinderen van 6 tot 12 jaar onderwijs volgen. In 1844 komt er een eerste openbare lagere school aan de Gerrit Imbosstraat. In 1884 kwam er een nieuwe grotere school naast de al bestaande. De oude school werd daarbij omgebouwd tot woning voor het hoofd der school. Op 29 april 1952 wordt de naam gewijzigd in W.A. Scholtenschool. Als er in 1954  een nieuwe W.A. Scholtenschool komt aan de Pluvierstraat zal in de oude school het dorpshuis “de Klabbe” komen. In maart 2012 is de school verhuisd naar het nieuwe Multifunctioneel Centrum waarvoor het oude gebouw moest wijken. De school uit 1844 en 1884 zijn wel blijven staan nadat het dorpshuis ook verhuisde naar het MFC.

Foxhol 1900 School

 

———

Hieronder is onder constructie

Kleuterschool Foxhol

Foxhol 1900.2015

Foxhol Brug

Foxhol voor de brug

Herberg Foxhol bij de brug

Hotel de Boer Foxhol

Foxhol om de brug

Foxhol bij het meer

Klap Foxhol

Advertenties